Snor

Draait daar een spinnenwiel, verscholen in de uitgestrekte rietkraag van de Loosdrechtse Plassen? Natuurlijk niet. Een laag aangehouden, snorrende zang klinkt op, draagt ver, is langzaam en met tikkende tonen begonnen en eindigt in een gematigd `swrrr' of `surrr'. We bespieden een kleine, roodachtig-bruine vogel tussen de rietpluimen die zijn roep laat weerklinken met de snavel schuin de hoogte in. Duidelijk is het witte, kloppende keeltje te onderscheiden, de lichte wenkbrauwstreep. De kenmerkende zang geeft deze moerasvogel van veertien centimeter meteen zijn naam: de snor (Locustella luscinioides). Zijn staart waaiert breed uit en is trapsgewijs gevormd. In de volksmond heet hij ook nachtegaalrietzanger. Bewoners van rietmoerassen als snor, rietzanger en karekiet behoren tot de onderfamilie van de zangers, Sylviinae. Ze zijn vaak lastig van elkaar te onderscheiden, leven in het verborgene. Deze zomergast overwintert in Oost-Afrika en Zuid-Azië. In ons land bouwt hij in het voorjaar zijn laag gelegen nest op de weelderige ondergrond van overjarig riet. Het legsel bestaat uit vier, vijf eieren die in twaalf dagen worden bebroed, alleen door het vrouwtje.

Illustratie:

Rein Stuurman

(Zien is kennen!)

freriks@nrc.nl