Situationele zedendelinquent verdient andere aanpak

In deze krant van 16 en 17 april 2004 doen Hendriks en Bijleveld verslag van hun dossieronderzoek van 114 jeugdige zedendelinquenten die in Harreveld zijn behandeld. Als forensisch jeugdpsychiater-seksuoloog ben ik vanaf 1988 betrokken geweest bij de behandeling van jeugdige zedendelinquenten in Harreveld. Alle daar opgenomen jongeren bleken in hun jeugd in vrij ernstige mate verwaarloosd of in ander opzicht getraumatiseerd te zijn waardoor zij ernstige gedragsstoornissen vertoonden. Dat was ook de reden van hun opname in Harreveld. En dat bleek later ook de reden van de niet-seksuele recidive van ongeveer 60 tot 80 procent. Dat de jeugdige zedendelinquenten een seksuele recidive van 9 procent vertoonden, dat vond ook ik al in 1995.

Die seksuele recidive komt geheel voor rekening van de groep ontuchtplegers met meisjes buiten het gezin, aldus Hendriks en Bijleveld. Harreveld maakt niet alleen onderscheid tussen opportunistische en obsessief seksualiserende zedendelinquenten maar kent ook zogenoemd situationele zedendelinquenten die op grond van psychische problemen of stoornissen tot het plegen van een seksueel delict (meestal ontucht met een jong meisje) komen. Die groep heeft vooral behandeling van die psychische problemen of stoornissen nodig.

Ervan uit te gaan dat alleen die ontuchtplegers met meisjes die na behandeling seksueel recidiveren (38 procent) tot de obsessief seksualiserende groep behoren, en niet tot de situationele, vind ik een oppervlakkige, onjuiste en stigmatiserende conclusie. Daarom zal een intensievere niet-psychiatrische behandeling en confrontatie met het delinquente gedrag, zoals de psychologen Hendriks en Bijleveld zich die voorstellen voor deze groep van wellicht situationele zedendelinquenten, tot een averechts resultaat kunnen leiden. Van de groepsgenoten zullen ze namelijk alleen maar leren hoe ze niet-seksuele delicten kunnen plegen.