Niet-bezwaarsysteem stuit ten onrechte op onbegrip

Reikhalzend werd uitgekeken naar de uitkomst van de tweede evaluatie van de Wet op de orgaandonatie, niet in de laatste plaats door de Tweede Kamer. De eerste evaluatie bracht aan het licht dat de wet niet had geleid tot een groter aanbod van geschikte donororganen. Destijds vond men het niet wijs om zo kort na de invoering van de wet te tornen aan het beslissysteem. Ditmaal staat het systeem wel ter discussie.

Blijkens persberichten concluderen de onderzoekers dat een geen-bezwaarsysteem weinig extra donoren zou opleveren. Deze conclusie is verrassend omdat er inmiddels voor het geenbezwaarsysteem zowel maatschappelijk als politiek voldoende draagvlak lijkt te bestaan. De conclusie is merkwaardig omdat dit systeem onmiskenbaar leidt tot de best mogelijke benutting van het donorpotentieel. Bepalend voor het aantal ter beschikking komende organen is namelijk allereerst het aantal mensen dat sterft in de relevante sterftecategorieën. Nederland heeft een laag donorpotentieel doordat de mortaliteitscijfers in de categorie (verkeers)ongevallen laag zijn. Echter, de kans dat een overledene uit het donorpotentieel, iemand dus wiens organen voor transplantatie geschikt kunnen zijn, donor is, is onder een geen-bezwaarregime het grootst.

Het moet eens gedaan zijn met het onbegrip dat bestaat ten aanzien van het geen-bezwaarsysteem. Ook dit systeem komt tegemoet aan het te onzent hoog aangeschreven zelfbeschikkingsrecht. Het enige verschil met andere beslissystemen bestaat daarin dat van de burger wordt verlangd dat hij ook daadwerkelijk van dit recht gebruikmaakt. De Kamer moest nu maar eens kiezen voor het meest redelijke van alle beslissystemen.