Nederland moet in Irak werk afmaken

Camp Smitty, de Nederlandse militaire basis bij de Zuid-Iraakse stad As Samawah, is bestookt met mortiergranaten. Het was een ernstig incident, en reden om `geschrokken' te zijn hadden minister Kamp (Defensie) en een aantal Tweede-Kamerleden zeker.

Nederland is door het oog van de naald gegaan. Maar schrik hoort bij de omstandigheden waaronder de troepenmacht van 1.261 man moet werken. Zij voeren een riskante missie uit in een relatief rustig deel van Irak, dat niettemin getroffen kan worden door aanslagen en schermutselingen. Waarbij ook Nederlandse slachtoffers kunnen vallen. De mortieraanval maakt de vraag over verlenging van de Nederlandse militaire aanwezigheid in Irak actueler dan deze al was. De Tweede Kamer heeft er vorige week over gedebatteerd; het kabinet moet voor 30 juni een besluit nemen, de dag van de soevereiniteitsoverdracht aan de Irakezen.

De algemene situatie in Irak is ronduit ernstig. Maar de Nederlandse militairen kunnen nog steeds hun werk verrichten, de belangrijkste voorwaarde om in ieder geval hun huidige termijn uit te dienen. Nu vertrekken omdat de grond te heet onder de voeten wordt, is gelet op de omstandigheden ongewenst en onnodig. Het zou militair en politiek gezichtsverlies opleveren en, belangrijker, het zou de Iraakse bevolking ter plaatse niet verder helpen.

In die zin valt het aanstaande vertrek van de Spaanse troepen en de militairen uit Honduras en de Dominicaanse Republiek te betreuren. Ze gaan weg op een ogenblik dat hun aanwezigheid, hun steun en advies, harder nodig zijn dan ooit. Met begrip voor de verkiezingsbelofte van de Spaanse premier Zapatero: het is een verkeerd signaal dat hij geeft, op een ontijdig moment.

De afgelopen weken is het dilemma door de verslechterende veiligheidssituatie scherp afgetekend: overhaast vertrekken kan niet door de verantwoordelijkheden die ons land draagt; blijven kan wel eens met de dag riskanter worden. De afweging waarvoor het kabinet staat is geen gemakkelijke, en hangt af van een groot aantal variabelen. Oppositie en regeringspartijen vinden elkaar in de roep om multinationalisering van de pacificatie van Irak. Het doel van een grotere rol voor de Verenigde Naties in Irak is dat het land zo snel mogelijk aan de Irakezen wordt teruggegeven. Dat is mede de reden waarom we daar zijn. Wat de VN na 30 juni precies kunnen en willen doen is nog onduidelijk. Maar internationalisering is een hoofdpunt van overweging voor verlenging van militaire aanwezigheid. Dan is een belangrijke vraag: zijn de Nederlandse troepen ook na de soevereiniteitsoverdracht welkom? Dit is ter beoordeling aan de Iraakse interim-regering, en hangt samen met de allesoverheersende veiligheidssituatie. Accurate veiligheidsanalyses blijven dringend gewenst, nu en straks. Tot slot is voor Nederland van groot belang wat de Amerikanen, de Britten en de overige coalitiepartners na 30 juni doen. President Bush gaf aan dat wellicht meer militairen naar Irak zullen gaan. Zullen zij straks worden ingebed in een door de VN-Veiligheidsraad goedgekeurde troepenmacht? En is dat voor Nederland een motief om te blijven, ook voor de oppositie? Àls lering valt te trekken uit een jaar `wederopbouw', dan is het wel dat pacificeren moeilijk gaat met een te kleine troepenmacht en zonder kennis van de lokale verhoudingen. Meer Amerikaanse troepen, die zich terughoudender opstellen, verkleint de kans op chaos en kan de duur van de operatie verkorten.

Nederland is in de oorlog tegen Irak steeds een loyale bondgenoot geweest. Het is tegenover zijn militaire en politieke partners en tegenover de Iraakse bevolking een verplichting aangegaan die de besluitvorming over vertrekken of blijven – en wellicht bijtekenen – zwaarwegend maakt. We kunnen daar niet weg als een paar granaten Camp Smitty raken. Nederland zit in Irak om zijn werk tot een min of meer goed einde te brengen. Met de nadruk op einde; er zijn grenzen aan de duur van een verblijf in Irak. Maar het werk moet af, bij voorkeur met toestemming van de wereldgemeenschap.