...maar wat is het gebed zonder God?

We kunnen het bestaan van God niet bewijzen. Maar voor veel gelovigen heeft de kracht van de religieuze praktijk te maken met de werkelijkheid van God.

Ger Groot betoogt dat geloven verband houdt met geluk, met een religieuze praktijk die werk maakt van een gastvrij huis te midden van een vijandige wereld. Bouwstenen voor dat huis zijn te vinden in de religieuze traditie. Hij neigt ernaar dit proces van geloven-en-geluk los te koppelen van de vraag of God bestaat. Maar ik meen dat de waarheidsvraag, de vraag naar de werkelijkheid van God, er uiteindelijk wel degelijk toe doet. Of God bestaat, of de gave van geluk ergens op gefundeerd is en of het gastvrije huis méér is dan menselijk gevoel, die vragen horen ook bij het geloof.

Ik deel Groots visie dat de vraag naar Gods bestaan secundair is. Primair is de religieuze praktijk. Helaas redeneren veel geloofsverkondigers en theologen omgekeerd. Eerst, zeggen zij, moet de waarheid omtrent het bestaan van God en Christus duidelijk zijn. Want als God niet bestaat, kan je wel ophouden.

In de behoefte aan zekerheid is geloven steeds meer een schokvast weten geworden, eerder dan leven. Terecht draait Ger Groot die prioriteit weer om. Want eerst duidelijk moeten hebben dat God bestaat, om je dan pas verantwoord in te laten met het geloof, dat lijkt een beetje op eerst bewijzen dat de `ware Jacob' bestaat en je dan pas wagen aan de liefde. We zien meteen dat een zo begrepen `ware Jacob' noodzakelijk een abstractie is. Op dezelfde wijze is een voorbarig bedacht Godsbestaan een abstractie. Die voorbarigheid zou wel eens een belangrijke reden kunnen zijn waarom de geloofstaal voor velen nietszeggend is geworden.

Het primaat van de religieuze praktijk wil ik dus van harte onderstrepen. Maar daarmee is de waarheid van het geloof niet uitgeput. Die waarheid reikt namelijk naar de werkelijkheid van God. Veel mensen willen in de kerk trouwen, hun kinderen dopen en hun geliefden begraven. Dit doen ze omdat de vorm der rituelen deze bijzondere levensmomenten boven het triviale uittilt. Op dit vlak is er transcendentie. Er gebeurt méér dan we zelf doen, de betekenissen reiken verder dan we zelf voor onze rekening kunnen nemen. Dat is al heel wat, maar de vraag is: reikt deze transcendentie tot bij God zelf?

Veel mensen die aan de religieuze praktijk deelnemen, denken van wel. Ze geloven dat het waar is wat ze doen en zeggen. Zij zouden het volstrekt te weinig vinden, als zij moesten constateren dat het enkel een ritueel van welbevinden was, zonder binnenkant, zonder dat het spel ergens een centraal punt heeft: een bestemming en een richting als waarheid. Er horen, om met Kellendonk te spreken, `grote woorden' bij, die misschien niet iedereen meteen voor zijn rekening kan nemen, maar die wel op de achtergrond werken, als een dragende kracht. Bijvoorbeeld woorden over God die trouw is, verzoening brengt en hoop geeft.

Zulke waarheid is voorondersteld in elke religieuze praktijk, zelfs wanneer die waarheid gevoelsmatig of cognitief niet op de voorgrond treedt. Het is met die vooronderstelling in de religieuze praktijken als met het licht in de beelden die we zien, om een vergelijking van de kardinaal-filosoof Nicolaas van Cusa te gebruiken. Het licht maakt de beelden mogelijk, maar wordt zelf nooit zichtbaar, tenzij indirect in het verschijnen van de beelden. Als iemand zijn geliefde aankijkt, is hij niet verrukt van hét licht, maar van het licht in haar ogen. Hét licht blijft zelf buiten beeld, maar zonder dat licht zien we niets.

Hier verschillen Groot en ik van mening. Voor hem gaat hét licht geheel op in het oplichten van de beelden. God is niets anders dan een naam voor het werkzame bestanddeel van de godsdienstige praktijk. God wordt enkel maar gedacht en dat is bovendien behoorlijk dun en ijl. Een `illusie' wordt God genoemd, een weldadige weliswaar, maar niettemin een illusie. De religieuze praktijk kan met krediet vergeleken worden. Geld hoeft alleen maar te circuleren om waarde te genereren. Het representeert niets anders. Zo zou ook de religieuze praktijk werken, zij hoeft niet verbonden te zijn met God als realiteit.

Voor veel gelovigen heeft de kracht van de religieuze praktijk te maken met de werkelijkheid van God. Ik deel Groots visie dat God niet reëel genoemd kan worden, zoals de sterren in het universum dat wel zijn. Maar de realiteit van het wetenschappelijk universum is toch niet noodzakelijk de enig mogelijke? De primaire waarheid van de religieuze praktijk impliceert nog niet dat er geen onafhankelijke goddelijke werkelijkheid kan zijn. Laten we als voorbeeld het christelijk begrafenisritueel nemen. Daar ontstaat, als het goed is, een ruimte waarin verdriet en zelfs ontreddering een plaats krijgen. Het leven, specifiek dat van de overledene, wordt geëerd en dat eerbetoon wordt door velen gedeeld en in een ruimer perspectief geplaatst. Zo ontstaat er een sfeer van verbondenheid en krijgt deze draagkracht, ondanks het verdriet.

Dat is transcendentie. Deze kan ook in sociaal-psychologische termen begrepen worden, maar dat sluit niet uit dat het tegelijk religieus is. Die natuurlijke verheffing van gevoelens tot iets wat gedeeld wordt, verbindt mensen onderling en met iets wat boven hen uitstijgt.

Daarnaast is er sprake van transcendentie in het begrafenisritueel zelf. De betekenissen die het in teksten en gebaren meevoert, komen uit een enorm gevarieerde, religieuze traditie. Ze vormen een selectie uit de ontelbare wijzen waarop mensen zich ooit tot God gericht hebben en met hem in aanraking zijn gekomen. De rituelen zijn beladen met die gerichtheid. Zelfs al zouden wij bij een christelijke begrafenis geen moment aan God denken, dan nog is het ritueel geheel doordrenkt, zo niet van God zelf, dan toch van het menselijk reiken naar God. Het is een historisch, telkens creatief gereproduceerde verhouding tot de ultieme zaak: God. De vraag is nu: komt de ultieme zaak zelf niet aan het woord in deze betekenissen? Wordt deze `binnenwereldlijke transcendentie' niet gedragen door de `ultiem transcendente'?

Groot houdt het bij de weldaad en de kracht van het ritueel zonder dat daarmee het bestaan van `een Gever' bevestigd wordt. Dat hoeft ook niet, want er is al volop geluk. Volgens het Scheermes van Ockham moet niet méér werkelijkheid worden aangenomen dan strikt noodzakelijk is. Van die kant bezien heb je vanuit de religieuze praktijk geen doorkijk op het bestaan van God.

Maar veel gelovigen kijken er anders tegenaan en zien die natuurlijke weldaad als vanzelfsprekend in verband met God. Menselijk geluk licht meteen op als een `God-gegeven'. Het natuurlijke leven is de kans in aanraking te zijn met het Jenseits mitten im Leben (Bonhoeffer). Gratia supponit naturam, de genade beschikt over de natuur. Waar het goede leven ervaren en nagestreefd wordt, doet voor de gelovige Gods werkelijkheid zich gelden. De gelovige kijkt als het ware van binnenuit naar de kracht van de religieuze praktijk. Of beter, hij wordt in die religieuze praktijk naar de binnenkant ervan toegebogen. Dat is precies waarin christenen Jezus Christus volgen. Jezus van Nazareth werd in zijn religieuze praktijk – die een sterke ethische buitenkant had – aan de binnenkant permanent gevoed door het contact met wie hij `zijn Vader' noemde. Dat binnenkant-moment was voor hem niet alleen zeer reëel, het verschafte ook de buitenkant de reële kracht die hem deed opvallen. En zelfs wanneer op het kruis die binnenkant een illusie lijkt – als hij uitroept `Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?' – wordt die crisis met dit psalmcitaat toch een gebed. Ik denk dat voor de hedendaagse christelijk gelovige ook die binnenkant tot de navolging (mimesis) hoort en dat het niet waar is, als de gelovige genoeg heeft aan het geluk dat hem toevalt, al weet hij niet vanwaar dat geluk hem toevalt.

Het is dus de vraag of onder de werking van de religieuze praktijk `de waarheid van God' verborgen ligt. Niet-gelovige filosofen als Habermas en Derrida antwoorden hierop positief. Beiden staan in een kritische traditie, ze verwerpen direct contact met iets uiteindelijks en beogen met hun denken een meer leefbare wereld. Maar zij menen dat, bij elke praktijk die het geluk van mensen op het oog heeft, die onvoorwaardelijke waarheid er moet zijn, wil het lukken met dat geluk. Het is een soort Kantiaans postulaat, maar evenals Kant zijn ze allebei terughoudend in de aanwijzing van die waarheid. De vraag is dus: waar krijgt die onvoorwaardelijk ultieme werkelijkheid een zekere evidentie? Hiervoor moeten we naar de representanten van de binnenkant van de religieuze praktijk: de religieuze elite.

In zijn beschrijving van het geluk in de religieuze praktijk denkt Ger Groot vooral aan een collectief gebeuren en minimaliseert hij het belang van wat hij noemt `de godsdienstheld'. Ik wil dat belang weer onderstrepen. In het geloof mogen er verschillen zijn, niet iedereen kan of hoeft alles optimaal voor zijn rekening te nemen. Paulus spreekt van verschillende geestesgaven. Nu lijkt het me dat er ook een apart talent bestaat voor radicaliteit, mensen die, méér dan anderen, doordringen tot de wortels en de binnenkant van het geloof en daar op een eigen wijze uiting aan geven. Door hun contact met God zorgen religieuze genieën ervoor dat de religieuze praktijk niet zelfgenoegzaam wordt. Zij zijn onmisbaar voor de vitaliteit van de religieuze gemeenschap. Zij bezielen. En er zijn er meerderen nodig. Want niet alle aspecten van de waarheid worden door één persoon present en concreet. Zo kreeg in Franciscus van Assisi de eenvoud van de waarheid en in Thomas van Aquino de overvloed van de waarheid gestalte. Heiligen zijn een levend teken van de echtheid van onze collectieve verhouding tot de verborgen God.

Bij zijn commentaar op Vondels Altaergeheimenissen schreef Frans Kellendonk een Naschrift: Grote Woorden. Hij constateert dat de woorden God, Hemel, Heilig hier tussen ons mensen niet reëel zijn, wij ervaren juist de afwezigheid van wat absoluut kwaliteit heeft. Evenmin, zegt hij, hebben ze een apart bestaan daarboven, in pure transcendentie; dat heeft er te vaak toe geleid dat onze aarde vanuit de Hemel gekoloniseerd werd, ,,met alle verwoestingen vandien''. Niet hier en ook niet ginds bestaat het absolute ,,tenzij het gedragen wordt door een voortdurende reeks van goede daden. Heilig is wat geheiligd wordt en God troont op de gezangen van de mensen''.

Ik lees hier dat God werkelijk bestaat, maar niet buiten het religieuze werk. Maar als gelovigen dit verband doordenken en doorleven, leggen zij het primaat niet bij het werk. God bestaat bij de gratie van dat werk, ja, Gods realiteit is dat dit werk zijn gratie ontvangt.

Theoloog bij de Universiteit van Tilburg en bijzonder hoogleraar in Utrecht. Zijn specialisme is mystiek. Zijn laatste boek is `Spiritualiteit als inzicht' (1999).

De volledige tekst van beide lezingen is verkrijgbaar bij de Radboudstichting (www.radboudstichting.nl).