Haat

Een bedrag van vijf cijfers – Rowan ,,Mr. Bean'' Atkinson, lees ik, heeft vorige week zijn rechtszaak tegen twee Engelse tabloids gewonnen. Die kranten hadden een verhaal gepubliceerd waarin de Britse komiek als zwaar depressief werd neergezet – hij zou nog maar een duwtje nodig gehad hebben om er helemaal een eind aan te maken. Oorzaak zou zijn angst voor de neergaande lijn zijn, de gewaarwording dat zijn talent zijn beste tijd gehad zou hebben. Niets van waar, volgens Atkinson zelf. Rechtszaak, uitspraak, schadevergoeding.

In Engeland kan smaad lucratief zijn. Van de schrijver Evelyn Waugh is bekend dat hij iedere ochtend likkebaardend de kranten spelde, op zoek naar beledigingen aan zijn adres – wanneer hij iets gevonden had, schalde een vreugdekreet aan de ontbijttafel. De eerstvolgende vakantie of verbouwing was veiliggesteld. In Nederland schijnt dat allemaal veel moeilijker te liggen, en zelden gaat een rectificatie van een of ander kletsverhaal over een scheiding of kanker of malversaties gepaard met een schadevergoeding die het desbetreffende blaadje flink laat bloeden. En de Hollandse klager voelt zich, anders dan Waugh, ook altijd verplicht het bedrag aan een goed doel te schenken, om te laten zien dat het hem om zijn eer en niet om het geld te doen was.

Aan persoonlijke beledigingen en ranzige scheldpartijen valt in dit land helemaal niets te verdienen, dat wordt allemaal gedekt door de vrijheid van meningsuiting. Hoewel het wetboek allerlei hooggestemde artikelen kent om kwetsbare zielen en onzekere minderheden te beschermen, blijkt het in de praktijk onmogelijk om een columnist of religieus bevlogene gerechtelijk uit te kleden; een fanatieke moslim of christen kan zich altijd beroepen op de vrijheid van godsdienst en de columnist of internetidioot weet altijd het vrije woord aan zijn zijde. Polemiek in Nederland is inmiddels de verbale equivalent geworden van een gezellige middag in Vak 410, maar wie daar een kanttekening bij waagt te maken, wordt ogenblikkelijk verketterd als vijand van de vrijheid. Zelden wordt iemand veroordeeld wegens, laten we zeggen, homohaat of zelfs antisemitisme.

Dat komt omdat het middel erger wordt gevonden dan de kwaal. Kwetsen en beledigen is tot daar aan toe, maar de Nederlander die het kwetsen en beledigen denkt te kunnen verbieden, die is pas echt slecht. De traditionele stereotiepen zijn bekend: de gekleurde Hollander die overal alledaags racisme bespeurt, de linkse activist die zijn gediscrimineerde medelanders bevoogdend in bescherming neemt, de verongelijkte homo die bij de geringste belediging naar een meldpunt discriminatie snelt.

Gekwetst zijn is niet cool. En aangifte doen al helemaal niet. Het riekt bovendien naar die wurgende politieke correctheid die Nederland zo lang in zijn greep hield, waarbij minderheden als kwetsbare kasplantjes werden gezien, die niet voor zichzelf konden opkomen.

En in het Fortuyn-tijdperk huldigen de bestrijders van de linkse dogma's het open vizier – eindelijk mag je zeggen wat je denkt. Ronduit alles kunnen zeggen, met Voltaire en de Verlichting aan je zijde, bestaat er een grotere vrijheid? Eindelijk bevrijd van die benepen oudlinkse dogma's die krampachtig de werkelijkheid uit zicht hielden. Pim Fortuyn geldt als een heroïsch voorvechter van de totale vrijheid van meningsuiting, en hij was ook de eerste martelaar van het vrije woord.

Over de eigenaardige pathologie van die nieuwe helden van het vrije woord is nu wel genoeg gezegd: bij de breed uitgemeten heroïek van de onverbloemdheid hoort kennelijk de hysterische kitsch van het slachtofferschap – de nieuwe Voltairianen worden gedemoniseerd, hun tongen worden met priemen doorboord, het spreken wordt hun onmogelijk gemaakt, en als ze al niet bedreigd worden, dan voelen ze zich bedreigd. Men heeft gekregen waar men om vroeg; alles wordt inmiddels gezegd, iedere oprisping uit de onderbuik wordt geëtaleerd alsof het hogere filosofie is, er wordt naar hartelust beschimpt en bespuwd – en weer is het niet goed.

Bij de uitreiking van de Gouden Ganzenveer 2004 presenteerde de laureaat, Kees van Kooten, afgelopen donderdag een indrukwekkende verzameling krantenknipsels vol heftig beleden afkeer en afschuw. Overal was hij uitspraken van onverholen haat tegengekomen; het zou een begin kunnen zijn van een kleine Hollandse encyclopedie van de bloedhekel – iedereen in Nederland lijkt inmiddels iedereen te haten. Voetballers, scheidsrechters en rechters, de politiek en het koningshuis, het vrije debat heeft zich inmiddels uitgekristalliseerd tot een ongegeneerde verbale agressie. Uit de knipsels van Van Kooten kon je bijna het plezier in het haten voelen, de zalige overgave aan de agressie zonder voorbehoud.

Ogenschijnlijk spreekt er een hevig ongenoegen uit, maar toch eigenlijk ook een groot genoegen – haat is gewoon heel erg lekker.

Intussen zijn we allemaal hooligans geworden. Er wordt links en rechts geklaagd over de verruwing van het debat, steeds weer wordt de vraag gesteld of we niet te ver zijn doorgeschoten. Maar zodra die vraag gesteld is, wordt meteen vastgesteld dat alles natuurlijk gezegd mag worden, enzovoort. Dat is de nieuwe politieke correctheid: ieder debat begint tegenwoordig met die kleffe dooddoener – en meestal uit de mond van iemand die helemaal niets te zeggen heeft. Er spreekt een lafhartige angst uit dat zinnetje. Voor je het weet, word je tot de gedachtepolitie gerekend! Wat er gezegd wordt, hoe het gezegd wordt, waarom het gezegd wordt – het doet er niet meer toe. In geen enkel ander Europees land wordt tegenwoordig zo vaak geschermd met de vrijheid van meningsuiting; de hele notie is verworden van een vanzelfsprekend principe tot een cynisch debattrucje, een schaamlap om een dieper liggend nihilisme te verbergen, het tergende onvermogen om het echt ergens over te hebben.

Intussen knaagt het ongenoegen, zelfs bij de hardcore Voltairianen: dat alles gezegd mag worden, heeft er slechts toe geleid dat alles gezegd wordt. Er worden geen principes gehuldigd, er worden vooral onlustgevoelens botgevierd. En nu? Wat te doen met al die haat, die ongeremde weerzin, die wellustige hoon?

De vrijheid van meningsuiting hoeft in Nederland helemaal niet verdedigd te worden. Die gedachte is het valse sentiment van mensen die terugschrikken voor waar het werkelijk om gaat: de moraal.