Een wonder van liefde en robuustheid

De dierentuin in Boedapest, de hoofdstad van Hongarije, bezoekt men niet voor de dieren.

Behalve het `Parijs van het Oosten' wordt Boedapest ook wel `Bangkok aan de Donau' genoemd. Wat mij kul lijkt: voor de vrouwen – tenminste die je in het straatbeeld ziet – hoef je niet 1400 kilometer te reizen. Als Hongaarse vrouwen iets aantrekkelijks hebben, is het de aantrekkelijkheid van een strenge schooljuf. Kiev heeft de mooiste vrouwen, Boedapest de mooiste gebouwen. Dat het zo verdeeld is, is goed, want daardoor kan men in alle nuchterheid vaststellen dat Boedapest een van de allermooiste steden van de wereld is.

De zilverachtige glans van de stad is superieur. Kalksteen wordt in groeves dichtbij Boedapest gewonnen, hele straten zijn ermee gebouwd. Daarbij heeft Boedapest twee van de drie schoonheden die een stad werkelijk grandeur geven: rivier, bergen of zee. Alleen het laatste ontbreekt. Londen, Parijs, Berlijn, Brussel – al die stakkers moeten het stellen met slechts één van de drie schoonheden, waardoor, hoe breed men de straten ook maakt, die steden iets tevergeefs behouden.

De parel in de kroon is de dierentuin. Hij is niet groot. Net als Hongarije zelf is hij in het begin van de vorige eeuw aanzienlijk verkleind, wat naar ik van de voorlichter begreep opmerkelijk is voor een dierentuin. Maar zoals men Boedapest niet moet bezoeken voor de vrouwen, hoeft men de dierentuin niet te bezoeken voor de dieren. Die kan men immers overal zien. Men moet voor de paden, de tuin, de rust en de architectuur komen, en in het bijzonder voor de afvalemmers.

Vijftig van de honderdvijftig thans aanwezige afvalemmers zijn gemodelleerd naar het ontwerp van architect Károly Kós, of Kosj Karoj zoals de Hongaren zeggen. Het is een wonder van robuustheid en liefde. De drie toegepaste materialen doen waar ze goed in zijn. Kalksteen is de sokkel, hout vormt de dragende constructie en het metaal knapt het gore werk op. In het hout zijn vier voetjes gegutst. Het zou me niets verbazen als deze emmers na sluitingstijd zelf naar de container lopen om zich te legen, terugwandelen en weer geduldig op hun sokkel gaan staan.

In de dierentuin zijn bankjes. Verschillende zijn zo neergezet dat ze goed uitzicht bieden op de afvalemmer. Als men neerzijgt en zich de tijd gunt, kan het niet anders dan dat het besef zal neerdwarrelen dat alleen een land met een enorme cultuur, een grote rijkdom, een brede basis, zoiets kan voortbrengen. Deze honderd jaar oude afvalemmer is de top van de piramide.

Als een Europacup wordt de afvalemmer de lucht ingestoken, Kós Károly houdt hem in handen, ondersteund door de jong gestorven architect Deszö Zrumeczky. Zij worden in de lucht gehouden door andere genieën van hun tijd, de schilders Rippl-Rónai en János Vaszary, de schrijvers Gyula Krúdy en Dezsö Kosztolányi, bijgestaan door een jongere generatie: Sándor Márai en de dertien Nobelprijswinnaars die voorgebracht werden door de Hongaarse scholen en universiteiten van het begin van de vorige eeuw. Dit alles wordt ondersteund door het geld en het inzicht van de nieuwe (meest joodse) grande bourgeoisie en een deel van de hoogadel en gestructureerd door strikte doch voldoende liberale regels van de Habsburgse dubbelmonarchie.

Op het hoogtepunt van Hongarije's gouden tijd, in 1909, op zijn zesentwintigste, mocht Kós Károly samen met Zrumeczky de verbouwing van de dierentuin leiden. Zij kwamen juist terug van een studiereis naar Transsylvanië, hun notitieboekjes uitpuilend van de schetsen. De twee plantten – lang voordat iemand kon weten dat het met het Verdag van Trianon (1920) afgepakt zou worden – Transsylvanië in het centrum van Boedapest. Het apenhuis lijkt op een middeleeuws, Transsylvaans kasteel, het vogelhuis op een Transsylvaanse kerk en het eekhoornverblijf op een Transsylvaanse boerderij voor een klein uitgevallen boer.

Waar de afvalemmer op lijkt, weet ik niet, maar voor mij verbeeldt hij de mooie kanten van Hongarije: de liefde voor de natuur en het landleven, de verheerlijking van het eigen verleden, de combinatie van trotse boersheid en grootstedelijke verfijning, het inventieve, ja zelfs de passie.

Hotels

HOTEL DÉLIBÁB. Sleetse Stalinbarok in oud Esterházy stadspaleis bij het Heldenplein, voor wie de heimwee in `Good-bye Lenin' be-viel. Délibab utca 35, 6de district, (0036) 1 342 93 01

HOTEL GELLÉRT. Hét oude grand hotel van Boedapest met overweldigende baden en stoombaden, aan de Donau. Szent Gellért tér 1, 11de district, (0036) 1 889 55 00

GRESHAM PALACE. Art nouveau beauty in hart van de stad, mooiste hotel van Centraal Europa, alleen met bad bij kamer waar met moeite een kleuter in past. Openingsdatum: 1 juli 2004, Roosevelt Tér 5-6, (0036) 1 268 60 00

Restaurants

BAGOLYVÁR, De Uilenburcht. Op de cimbalospeler na is het voltallige personeel vrouwelijk. Als u voor de vrouwen naar Boedapest komt, kan het alleen voor de gemoedelijke dames van `De Uilenburcht' zijn. Allatkerti út 2 (naast de dierentuin), 14de district, (0036) 1 468 31 10

KISBUDA GYÖNYE. Geweldige vruchtensoep en lambrizering – beetje over z'n top heen. Kenyeres ut 34, 3de district, (0036) 1 368 64 02

IRÉNE LÉGRADI. Antiekwinkel annex restaurant, slechts enkele tafels, zigeuners niets te drinken aanbieden, want ze laten de duurste wijnen aanrukken.

Magyar ut 23, (0036) 1 318 68 04