De man met de gouden handjes

Salo Muller (68) maakte als fysiotherapeut de grote successen van Ajax in de jaren zeventig mee. Hij was `de talisman van de club'. Maar bij Europa-Cupduels in het buitenland had hij vaak last van verlatingsangst. Vanwege de oorlog. Hij werkt nu aan boek over zijn oorlogsherinneringen.

Hij heeft een tenger postuur en een open, nieuwsgierige blik in zijn ogen. Salo Muller (68) oogt fit en is keurig gekleed: grijze pantalon, grijze trui en een colbertjas waarop een gouden speldje van Ajax flonkert. Hij is erelid van Lucky-Ajax, de vereniging van oud-spelers van het eerste elftal. Hij werkt nog een dag per week in de praktijk voor fysiotherapie die hij acht jaar geleden heeft overgedaan aan een medewerkster. Daarnaast is hij hoofdredacteur van Fysioscoop, het tijdschrift voor de fysiotherapeut. En hij schrijft. Hij heeft, zegt hij, twee boeken `in zich': een over Ajax, waar hij van 1958 tot 1972 verzorger was, en een over de oorlog.

Zijn oorlogsherinneringen liggen nu als manuscript bij de uitgever. Het heeft als titel: Tot vanavond, en lief zijn hoor. Dat waren de laatste woorden van zijn moeder, toen ze hem in 1941 naar school bracht. Later die dag werd ze bij een razzia opgepakt. Samen met haar echtgenoot werd ze afgevoerd. Naar Auschwitz, via Westerbork. Salo Muller belandde ,,in de onderduik''. Hij veranderde acht keer van adres. Van Amsterdam belandde hij via Amersfoort, Koog aan de Zaan en Zaandijk in het Friese Ureterp, boven Drachten. Salo Muller werd Japje Mulder, het donkerharige neefje uit Limburg in een Fries boerengezin.

,,Het zijn geen macho-memoires'', haast hij zich te zeggen. ,,Het is niet allemaal ik ik ik.'' Wat hij wilde vermijden, is meedoen aan de concurrentiestrijd in het leed. ,,Een voorbeeld. Ik hoor oud-burgemeester Van Thijn van Amsterdam op de radio de vraag gesteld worden: `Wat is het ergste dat u in de oorlog is overkomen?' Hij antwoordde: `Dat ze m'n verjaardag niet hebben gevierd.' Over zulke opmerkingen kan ik dagenlang nadenken. Zijn verjaardag niet gevierd. Ik zal je vertellen: ik wist niet meer hoe ik heette. Ik was zo gebrainwashed dat ik mijn naam en dus mijn identiteit kwijt was. Ik wist niet meer wie mijn ouders waren, waar mijn ouders waren, wanneer ik geboren was. Maar dat valt natuurlijk in het niet vergeleken met iemand die in een concentratiekamp heeft gezeten. Met alle respect voor Van Thijn – natuurlijk vond hij het erg, nee, natuurlijk was het erg dat hij zijn verjaardag niet heeft kunnen vieren. Maar ik vond het een beetje – voor iemand met de intelligentie van Van Thijn – een beetje vreemd dat hij juist dit aspect van zijn oorlogsherinneringen benadrukte. Alleen: je kunt je eigen ervaringen er niet als erger of zwaarder tegenover zetten. Iedereen voelt zijn eigen leed. Hij, ik.

,,Er is, na de oorlog, geen dag voorbij gegaan dat ik mij niet afvroeg: `Waarom?' Kijk, ik ben van 1936. Toen de oorlog afgelopen was, was ik bijna tien. Ik kon nog gekneed worden, maar mijn geheugen kon je niet meer wissen. Dat speelde mij parten. Jarenlang heb ik niet lekker in m'n vel gezeten. Ik leed aan allerlei kwalen, echte en denkbeeldige: astma, maagpijnen, hartritmestoornissen. Ik had last van extreme verlatingsangst, vooral bij uitwedstrijden voor de Europa Cup speelde mij dat parten. Maar dat kon ik natuurlijk niet uiten. Ik probeerde het met medicijnen te bestrijden. Zonder mijn pillen-etui ging ik het huis niet uit. Lag ik in een vreemde hotelkamer, klaarwakker, in paniek. Dan slikte ik drie valiumtabletten om tot rust te komen. Een echte hypochonder, ja.

,,Mensen in mijn omgeving vroegen: `Salo, waarom werk je toch zo hard?' Dan kun je niet zeggen: `Vanwege mijn dode ouders. Ze zijn vermoord, in de oorlog, ik probeer het van mij af te zetten.' Dus zei ik altijd: `Omdat ik van mijn hobby mijn beroep heb kunnen maken. Dat was dan de halve waarheid. Ik heb mijn herinneringen geordend, in een laatje gestopt. Er zijn enkele dagen per jaar dat ik intensief aan mijn ouders moet denken.'' Hij verbetert zichzelf. ,,Mág denken. Op hun verjaardagen. Tijdens Dodenherdenking. En tijdens Yom Kipoer, Grote Verzoendag.''

Muller was fysiotherapeut van het Gouden Ajax, dat eind jaren zestig de vaderlandse competitie domineerde en het decennium daarop drie keer de Europa Cup won. In die periode ontpopte hij zich, in de woorden van voormalig voorzitter Jaap van Praag, tot de mascotte van de club. De spelers noemden hem – half plagerig, half bewonderend – de snelste masseur van het westelijk halfrond. `Geklokt, 10,1 op de eerste meters', zeiden ze gekscherend als hij weer eens in een flits de dug-out uitrende wanneer een speler geblesseerd op het veld lag.

Hij was een opvallende verschijning: mallotig trainingspak, ravenzwart haar met een vernis van brilcream, een zwart brilmontuur à la Buddy Holly en een onafscheidelijke waterzak met spons onder zijn arm. Run, Salo, run. Zo werd hij een bekende Nederlander.

Hij was ook, onmiskenbaar, een joodse Nederlander. En in dienst van de club die, al dan niet terecht, bekend staat als `de joodse voetbalvereniging'. Dat laatste is, zegt Muller, overdreven: ,,Er zijn zeker joodse leden en in mijn tijd waren er joodse of half joodse spelers als Bennie Muller en Sjaak Swart. De voorzitter, Jaap van Praag, was ook joods. Maar om het in perspectief te plaatsen: toen ik in mijn beginperiode bij Ajax op Yom Kipoer vrij nam, had men geen idee wat dat nou weer voor iets was.''

Hij heeft nog twee foto's van zijn ouders, hun trouwfoto en een kiekje aan het strand, eind jaren dertig: Louis Muller en Lena Blitz, de kleine Salo tussen hen in. Vanaf 1941 stond hij er alleen voor. ,,Telkens als ik mij in de onderduik ergens thuis begon te voelen, kreeg ik te horen dat ik weg moest. Of ik was niet te handhaven, omdat ik niet in het pleeggezin paste. De laatste jaren van de oorlog bracht ik door bij Beppe en Omke, een ouder, samenwonend stel. Ze woonden in een klein huis in Ureterp. Als er bezoek kwam dat ze niet vertrouwden, werd ik naar het kippenhok gestuurd. Dat was natuurlijk geen pretje, maar het viel nog mee vergeleken bij een onderduikadres daarvoor, ook in Friesland.

,,Daar bracht ik nachten door onder de planken vloer in de woonkamer. Dat was bij een boerenfamilie die melk en kaas leverde aan een nabij gelegen Duits legerkorps. Daar, ondergronds, heb ik als jongetje angst leren kennen. Het was er koud, vochtig en het stikte van de muizen en ratten. Elke ochtend, als ik weer bovengronds kwam, had ik beten en bloedplekken op mijn armen en benen. Als het overdag gevaarlijk was, werd ik weggestuurd, de weilanden in. Dan moest ik zoeken naar kievitseieren. Bij dat gezin kreeg ik last van astma-aanvallen, die ik moest onderdrukken. Ik mocht natuurlijk niet te veel de aandacht op mij vestigen. Geduld oefenen en luisteren; dat heb ik in de oorlog geleerd. Ik probeerde een voorbeeldig jongetje te zijn.''

Op een dag kwam zijn tante Ju naar Ureterp. ,,We waren bevrijd, ineens stond ze voor de deur. Zij kwam mij opeisen. Ze noemde mijn naam: Salo. Dat was zo'n emotioneel moment, daar heb ik acute geelzucht van gekregen. Toen ik weer was opgeknapt hebben mijn onderduikouders mij naar Amsterdam gebracht. Naar mijn tante Ju en oom Louis. Het was een vreemde ervaring. Er werd Nederlands gesproken, geen Fries. En er reed een tram, dat had je niet tussen Ureterp en Drachten. Op school ging het niet, na de oorlog. Ik had een grote mond, was twee jaar ouder dan de rest van de klas. Ik vond van mijzelf dat ik mij moest waarmaken. Ik liet me niet meer kleineren. Ook niet door de leraren. Die vonden mij vervelend, onhandelbaar. Kijk, als je jarenlang niets hebt mogen doen en je komt weer in de vrije wereld, dan ben je ongeremd. Ik mocht weer spelen, gillen, lachen, sporten, heel bizar. In een klaslokaal was ik daardoor niet te handhaven. Na drie jaar moest ik van het Amsterdams Lyceum af. Daarna volgde de Tweede Openbare Handelsschool. Ook die heb ik niet afgemaakt. Nu zouden ze zeggen: hij moet worden getest. Er was waarschijnlijk uitgekomen dat ik letterlijk niet meer in een hokje paste. Te lang weggestopt. Jammer dat ze dat nooit goed hebben bekeken.''

Nadat hij van de Openbare Handelsschool was gestuurd bleef hij thuis. ,,Toen heeft mijn tweede vader, oom Louis, ingegrepen. Hij zei: `Je wilt niet meer naar school. Goed. Maar dan ga je niet hele dagen in je bed liggen. Zoek maar een baan.' Ik ben naar het arbeidsbureau gegaan. Alleen, zonder hun steun, dat was een hele opgave. Daar was een vacature voor een opleiding tot assistent-bedrijfsleider bij een houthandel.

,,Ik solliciteerde en werd aangenomen. Ik vond het heerlijk: een salaris, verantwoordelijk werk, geen huiswerk meer, geen klaslokaal, geen vervelende leraren die mij vertelden wat ik moest doen en laten. Later heb ik in de avonduren de opleiding voor heilgymnastiek en massage gedaan. Ik wilde arts worden, maar dat zat er natuurlijk niet in, omdat ik mijn middelbare school niet had afgemaakt. Op deze manier kon ik toch nog een beetje doktertje spelen. Daar bleek ik een gave voor te hebben. Ik kon vooral verschrikkelijk goed masseren. En ik kon goed met mensen omgaan. Via mijn docent Jan Rodenburg ben ik bij Ajax terecht gekomen. Hij was daar verzorger, maar kon het werk niet meer aan. Hij vroeg of ik wilde helpen. Ik wist niet wat ik hoorde: Ajax! Dat wilde ik natuurlijk wel.'' Na een jaar vertrok Rodenburg. Muller nam zijn baan over. Hij was begin twintig, jonger dan de meeste spelers.

,,Ik had als hulpmiddelen niets anders dan mijn handen, een rode lamp en een zalfje. De lamp was voor als je een stijve nek had. De zalf kwam van Vic Buckingham, destijds de trainer. Hij nam uit Engeland een jampot mee, met een vieze grijze kleimassa. Als je dat rook... Een heel scherpe geur, van eucalyptus en dennennaalden. Dat moest je au bain-marie verwarmen, dan werd de jam-massa gloeiend heet. Daarna moest je het goedje op vetvrij papier leggen. Je maakte er een pannenkoek van. Die hete pannenkoek legde je dan op de zere knie of enkel. Het bleef drie à vier uur heet.

,,Dat is nu allemaal verleden tijd, maar ik ben het eens met Cruijff: `alles wat oud is, was nog niet slecht.' Tegenwoordig worden spelers bijvoorbeeld nauwelijks meer gemasseerd. Nu is het allemaal revalidatie wat de klok slaat. Maar masseren is heel nuttig. Ik voelde met mijn handen en praatte met de spelers. Je bouwde op die manier een band met ze op. Ze namen me in vertrouwen. Als ze vonden dat ze te hard moesten trainen, ging ik naar Rinus Michels: `Luister eens, het loopt de spuigaten uit, het moet een tandje lager.' Of als ik vond dat de spelers er tijdens een partijtje op de training te hard ingingen, waarschuwde ik voor het gevaar van blessures. Michels zei dan: `Bedankt Salo, dat je het hebt gezegd. Ik zal wat gas terugnemen.' Nu loopt de fysiotherapeut tijdens de opwarming voor de wedstrijd in een blits trainingspak met de spelers mee. Het ziet er gestroomlijnd uit. Maar de behandeling met de handen en het praten is een stuk minder geworden.''

Michels had in januari 1965 het roer van Buckingham overgenomen. Muller: ,,Ik had een heel goed contact met hem. Een gevoelsband, een soort huwelijk bijna. Hij zei bij vragen van journalisten over geblesseerde spelers: `Vraag maar aan Salo, ik heb alleen maar te maken met fitte spelers.' Ik werd iemand, groeide in mijn rol. Een geblesseerde speler gaf ik in het veld tips mee. Terwijl hij op de grond lag en ik hem oplapte, zei ik dan: `Je moet verdomme ook niet zo ver naar voren spelen, dat hoor ik net van Michels.' Ik werkte natuurlijk met heel grote voetballers. Piet Keizer vond ik de beste, maar de speler die de meeste indruk op mij heeft gemaakt was (ausputzer, MdG) Velibor Vasovic. Hij had een uitstraling, een autoriteit, daar kon niemand in het team aan tippen. Hij zei niet veel, maar als hij wat zei luisterde iedereen. Wat ook bijzonder was: hij was oprecht geïnteresseerd in andere spelers. Dat komt niet vaak voor in een vak waarin iedereen toch vooral met zijn eigen prestaties bezig is. Dan kwam hij naar mij toe: `Wil jij straks eens met die en die gaan praten, want volgens mij heeft hij behoefte aan een luisterend oor'.''

En Johan Cruijff? Muller is even stil. ,,De ene speler liep door met een blessure, de andere niet. Johan Neeskens kreeg je bijvoorbeeld nog niet met een paard het veld af. `Geen gelazer, ik moet door', zei hij als ik vroeg of het nog ging. Cruijff was anders. Hij kwam meteen naar de kant. Gevoelig, zowel lichamelijk als geestelijk. Fijnbesnaard. Hij kon ook ontzettend vervelend zijn. Hij bemoeide zich met alles maar dan ook echt met alles. Als Ben Muller bijvoorbeeld op de massagetafel lag, kon hij naar mij toekomen met de vraag: `Moet je Bennie wel masseren?' Dan keek ik hem aan, zo van: `Kom op, Johan' – en dan moest hij lachen. Of hij kon tegen teamarts John Rolink zeggen, als een speler een spuit kreeg: `Dokter, moet hij wel een spuit? Is een pil niet beter, als pijnstiller?' Je moest er vooral niet op ingaan, want dan had hij je liggen. Dan ontstond er een oeverloze discussie.''

Tijdens ons eerste gesprek zegt Muller dat hij de schaduwzijde van Michels ,,niet zo heeft meegemaakt''. Later komt hij er op terug. ,,Michels had een obsessie: het team. Als je faalde moest je eruit. En hij was streng. Als hij voorschreef: van twee tot vier rusten, dan moest je rusten, en geen minuut korter of langer. Het was onder hem een soort militair regime. Veel spelers begrepen dat niet. Zij dachten: `Hij mag me niet. Hij heeft de pik op me.' Maar dat was niet zo. Ik denk dat hij alle spelers even lief had – maar hij liet het niet blijken. Wat hij niet kon was: een arm om de schouder van een speler leggen als het even mis ging. Spelers zijn soms sentimenteel, gevoelig voor een compliment. Daar kon hij niets mee. Hij wordt nu `de Generaal' genoemd, of een dictator, maar hij was eigenlijk een opzichter die de groep met een verrekijker bekeek. Heel afstandelijk.

,,Een keer, in Lissabon, heb ik gedreigd met ontslag als hij niet inbond. Hij had weer eens een pesthumeur. Er was iets gebeurd wat hem niet beviel, ik meen dat de spelers vijf minuten te laat op de training waren verschenen. Toen zei hij: `De bioscoop vanavond gaat niet door'. Dat was het vaste team-uitje bij Europa Cup-wedstrijden: naar de film. De training werd verder in een grafstemming afgewerkt. Heel beklemmend. Vlak daarna kwam ik hem in de lift van het hotel tegen. Ik zei: `Rinus, als je zo doorgaat met de groep, dan houd ik er mee op'. Toen zei hij: `Ben je nou helemaal belazerd, Salo, je bent verdomme voor mij de belangrijkste man in het spel'. We gaven elkaar een hand en daarmee was het over.''

Onder Michels' opvolger, de Roemeen Stefan Kovacs, werd het volgens Muller ,,een pretpakket''. ,,Hij teerde op de roem van Michels. En toen die was uitgewerkt, viel hij door de mand. De spelers maakten misbruik van het vertrouwen dat hij ze schonk. Bijvoorbeeld tijdens strandtrainingen, een uur lang rennen. Kovacs dook de eerste de beste strandtent in, om een glas wijn te drinken met de Roemeense ambassadeur. Zo was hij: erg op status. De spelers namen het er van in de strandtent ernaast, net buiten het gezichtsveld van Kovacs. Vlak voor het uur verstreken was sprintten ze terug. Kwamen ze toch nog bezweet aan.

,,De druk was weg. De intensiteit. Ik heb daar met hem over gesproken. Dan zei hij: `Het zijn geen kinderen. Ze hebben hun eigen verantwoordelijkheid'. Onzin natuurlijk: het waren wél kinderen. Hij was een merkwaardige man. Ik moest een keer voor een Europa Cup-wedstrijd een interview geven aan een radio-journalist, op mijn hotelkamer. Vlak voor het begon werd er op de deur geklopt. Kovacs. Hij zei: `Mag ik erbij komen zitten'. Zonder mijn antwoord af te wachten ging hij op bed liggen. Mijn bed. Hoofd op het kussen, de ene na de andere sigaret in zijn mond. Toen het interview was afgelopen, stond hij op en vertrok. Hij had geen woord gesproken.''

In 1972 wilde Muller loonsverhoging. ,,Ik moest bij Van Praag thuis komen. Daar zat het bestuur. Van Praag deed het woord: `Sorry Salo, maar dit zijn belachelijke eisen'. Ik zei: `Het zijn geen eisen maar wensen'. Van Praag: `We kunnen er niet op ingaan'. Toen is er een tweede gesprek geweest, weer bij hem thuis. Van Praag weer: `Salo, we kunnen echt niets voor je doen. Maar je bent de talisman van Ajax. Je bent Mister Ajax, jij hoort bij het meubilair. Jij gaat nooit weg'. Ik zei: `Heren, ik wens u nog een prettige avond, we zijn nu klaar'. De volgende ochtend kreeg ik een telegram. Ik zei tegen mijn vrouw: `Hé, let op, ze vragen me terug'. Maar nee. `Bij deze verzoeken we u binnen 24 uur de Ajax-eigendommen in te leveren plus de sleutel van uw kantoor.' Ik wilde mijn spullen in een zak doen en ze op de stoep voor het stadion deponeren, maar mijn vrouw zei: `Geen onwaardige dingen doen'. We hebben het tenue laten stomen, de schoenen gepoetst. Alles keurig netjes afgeleverd. Ik kreeg een stadionverbod, zo ging dat destijds.''

Hij is even stil. ,,En dat was het einde van Salo Muller bij Ajax.''

Zeven jaar zag hij geen wedstrijd. Toen kwam Piet Keizer langs. Er waren festiviteiten, hij kwam namens de spelers vragen of Muller daarbij aanwezig wilde zijn. Dat wilde hij wel. Hij was terug bij Ajax.