De gelukzalige lezer

Op weg naar Helden-Panningen voor een lezing was ik de enige in de trein die een boek las. De andere reizigers telefoneerden luidkeels door elkaar heen. Links, rechts, voor, achter, van alle kanten klonken ludieke belmelodietjes en stemmen op meeluistersterkte. Weliswaar ben ik opgegroeid in een groot gezin en heb ik geleerd omgevingsgeruis te verdragen, maar Hella Haasses Mevrouw Bentinck of onverenigbaarheid van karakter viel niet te accorderen met het volumineuze koor van onsamenhangende monologen over huiselijke zaken om me heen. Het was zaterdagmiddag, en daar moet het aan gelegen hebben dat er geen andere lezers waren. Gewoonlijk zit ik met geestverwanten in de trein, die waarschijnlijk net als ik vinden dat er nergens anders zo heerlijk gelezen kan worden. Als ik naar Maastricht of Groningen reis, verheug ik me op de lange leestijd en bestem al enkele dagen eerder een bepaald boek voor de reis. Van medereizigers wil ik altijd weten wat zij lezen. Snel kijken als ze het boek even neerleggen, een denkbeeldige veter strikken om van onderen naar de omslag te kijken, in de ruit staren en het spiegelschrift proberen te lezen, ik heb geen rust voordat ik de titel weet. Het mooiste is het als er iets heel onverwachts uitkomt. Geen Marianne Frederiksson of Geert Mak, maar Herman Heijermans Diamantstad in handen van een jonge jongen die daar volstrekt in op leek te gaan. Hij had dat speciale gezicht van de gelukzalige lezer, dat overal waar lezers in een boek verdiept zijn hetzelfde is. Er is iets merkwaardigs fysieks aan de hand met de lezer. De verstilling van zijn mimiek lijkt op die van een slapende, maar de gelaatskleur is anders, gespannen en toch gelijkmatig. De ogen zijn zelfs neergeslagen groot. De naar binnen geslagen concentratie sluit de lezer af voor impressies van buiten, maar hij heeft niets dromerigs over zich. Hij lijkt op de standbeelden van Rodin: ze staan onbeweeglijk maar van binnen zindert kracht.

Bij mijn weten is dat aspect van het lezen nog nooit wetenschappelijk onderzocht: wat gebeurt er nu eigenlijk fysiek met een lezer die geboeid raakt door een verhaal? Er zijn vele onderzoeken geweest naar de psychische uitwerking, waarbij lezers uitgebreide vragenlijsten op schalen moesten invullen: vindt u het boek heel spannend/ spannend/ tamelijk spannend/ een beetje spannend/ niet spannend? En dan kwamen er parmantige uitkomsten: een gedicht van Lucebert werd door de meeste lezers in een laboratoriumsituatie `tamelijk moeilijk' gevonden.

Vooral in de jaren zeventig van de vorige eeuw was dergelijk onderzoek gebruikelijk en er zijn heel wat proefschriften gebaseerd op uitgelokte lezersreacties. De lezer blijkt bij de lectuur op en neer te pendelen tussen wat hij of zij verwacht van een tekst door de informatie die hij al voordat hij het boek opengeslagen heeft meegekregen, en de mate waarin de lezing afwijkt van wat hij verwacht. Zijn oordeel is gebaseerd op de verhouding tussen die twee. Allemaal mooi en prachtig, maar hoe komt het nu dat er een lichamelijke verandering kan optreden door het lezen? Is er een bepaald hormoon, dat nog niet ontdekt is en nog geen naam heeft, en dat vrijkomt bij bepaalde aangrijpende boeken, zoals het lichaam extra adrenaline in gevaarlijke situaties afscheidt? Als dat zo zou zijn, dan zou elk mens ook een aangeboren behoefte hebben aan lezen. Nu is dat aantoonbaar onjuist, want er zijn duizenden generaties gestorven zonder ooit een boek gelezen te hebben. Maar aan lezen gaat iets anders vooraf: het luisteren naar verhalen, en verhalenvertellers zijn wel zo oud als de mensheid.

Het is al een tijdje geleden dat ik met mijn dochter naar Sesamstraat keek, dus ik weet niet of er nog voorgelezen wordt, maar zo'n vijftien jaar geleden verheugde ik me altijd op het moment dat Paula ging voorlezen. De gezichten van die toeluisterende peuters, waarbij je gelijk de toekomstige lezertjes van de toekomstige vrijetijdsklussers kon onderscheiden, spraken boekdelen. Dezelfde verstilling, dezelfde gerichtheid naar binnen als bij lezers, en daarbovenop de grote glanzende ogen met wijde pupillen en het licht openhangend mondje; zó zijn kinderen op hun mooist.

Op een zekere leeftijd is er niemand meer die je verhalen vertelt, en dus leer je jezelf lezen, zodat je toch aan je verhaalbehoefte tegemoet kunt komen. Voor mij is lezen een primaire behoefte, maar ik weet dat dat niet voor de hele mensheid geldt. Er zijn zaken waar niemand buiten kan: ademen, eten, drinken, piesen, poepen, ook al kan men die handelingen korte tijd uitstellen, variërend van enkele seconden tot enkele dagen. Met seks is het ongeveer hetzelfde als met lezen: het leven is leuker mét, maar zónder kan ook. Hoe kan lezen dan toch zoveel mensen zoveel bevrediging schenken? Waarom lezen ze eigenlijk?

Kennisvermeerdering, riepen de leesbevorderaars van de negentiende eeuw, en ze richtten in hun idealisme de openbare bibliotheek op. De mens die historische romans of reisboeken leest, komt in onbekende gebieden of tijdperken. Verruiming van de geest, riepen de leesjunks van de jaren zestig van de vorige eeuw. Je kunt snuiven aan onbekende diepten. Literatuur opent domeinen van de geest waar je in het dagelijks leven niet bij kunt komen. Verdieping van je psychologische inlevingsvermogen, zeiden de zielkundigen van de jaren twintig: de schrijver kan menselijk gedrag uitleggen dat jezelf vreemd is, maar hij heeft het vermogen dieper in de psyche door te dringen dan anderen.

Gewoon, goede verhalen, meegesleept worden, zegt Sylvana Simons. Een boek spreekt je gevoel aan. Nee, je intellect, zou Michael Zeeman zeggen. Een goed boek is gymnastiek voor je hersenen.

Hoe dan ook: sinds de negentiende eeuw bestaat er in de maatschappij overeenkomst over de wenselijkheid van lezen. Alle subsidies die naar stichtingen voor leesbevordering, naar schrijvers en uitgevers, naar literaire cafés en bibliotheken gaan, hebben als achterliggende gedachte: het is goed voor de mensheid als die leest. Een lezer, zo moet wel de gedachte zijn van de subsidieverstrekkende overheid, is geen onruststoker. Een lezer is geen vandaal, geen aanrander, geen joyrider, geen hooligan. Nu klopt dat in zoverre dat iemand op het moment dat hij leest geen barbaarse handelingen kan verrichten, maar niemand leest zestien uur per dag, dus hij houdt nog genoeg tijd over voor allerlei wandaden. Alleen verwacht niemand die van een echte lezer. De angst van dictators voor literatuur is duidelijk genoeg. Onder totalitaire systemen worden boeken verboden en verbrand, bestaat censuur en controle op de pers. Leesbevordering kent men daar niet, want lezen geeft de geest vrijheid.

Volgende week ga ik naar Beilen. Ik heb het al uitgezocht: twee uur leestijd. En het boek ligt ook al klaar. Mijn dochter moest het lezen voor haar literatuurlijst Duits, en ik bladerde erin. Alleen al die eerste zin: `Wenn die Mutter in der Nacht den Ventilator laufen liess, wurde er wach, obwohl die Gummiflügel dieser Luftmühle nur ein weiches Geräusch erzeugten'. Wat een heerlijk muzikaliteit met die terloopse assonanties en alliteraties, wat een beelden door die luchtmolen met zijn week geruis. Volgende week mag ik Heinrich Bölls beschrijving van het naoorlogse Duitse weduwenrijk, Haus ohne Hüter, uitlezen. 262 pagina's, moet voldoende zijn voor de heen- en terugreis.

P.S. Van de dierenarts S. uit Z. kreeg ik twee brieven over allergievrije katten die mijn muizenplaag zouden kunnen bestrijden. Hij legde me uit dat kattenallergie veroorzaakt wordt door het speeksel van de kat, en dat ik op zoek moet naar eentje die zich weinig wast. Wellicht kon ik eens een katje een dag op proef nemen, suggereerde hij. Alsof een gevoelige ziel als ik zo'n poesje weer weg zou kunnen doen!