`Castro moet nooit dood gaan'

Cuba is jarig. Dit jaar viert het land de 45ste verjaardag van de overwinning op het imperialisme. Sommige Cubanen komen er openlijk voor uit dat ze ongelukkig zijn onder het communisme van leider Castro. Maar er zijn ook veel gelovigen in de revolutie. `Het communisme is mijn systeem. Ik heb alleen geen zin om steeds over politiek te praten. Een mens moet zich ook vermaken.'

Vrolijk, vrolijk is de 37-jarige Inés Maria O'Farril. Zelfs als ze vertelt over de maatschappelijke problemen in Cuba of als 't gaat over haar eigen, kleine leed variërend van armoedige behuizing, geen stromend water of een gebrek aan geld, volgt snel een relativerend, aanstekelijke lachbui. Het is kortom niet zo moeilijk te begrijpen waarom Inés vanwege haar stoere onverzettelijkheid en een onvoorwaardelijk geloof in de Cubaanse socialistische revolutie door haar vrienden wordt aangeduid als de vrouwelijke variant van de communistische vrijheidsstrijder Che Guevara.

Toch is er tijdens het urenlange gesprek in een van de spaarzame schaduwrijke plekjes van de Cubaanse hoofdstad Havana één moment dat de conversatie stokt. Dan zet Inés haar hippe bril met blauw montuur af om de tranen uit haar ogen te wrijven. De vraag was hoe ze denkt dat het haar land zal vergaan als de man die het er al 45 jaar voor het zeggen heeft, de inmiddels 77-jarige president Fidel Castro, op een dag onvermijdelijk komt te sterven.

,,Voor ons Cubanen is Fidel gelijk aan God. Maar als hij sterft, blijven zijn ideeën gewoon bestaan. Het systeem zal niet van de ene op de andere dag sneuvelen. De revolutie gaat zeker nog een eeuw mee'', zegt Inés bezwerend. Dat de voormalige bondgenoten in de Sovjet-Unie en Oost-Europa vijftien jaar geleden in één klap van politieke kleur veranderden, zegt de Cubaanse – die werkt als boekhoudster voor de gemeente Havana – niet zoveel. ,,In Cuba is het communistische systeem niet opgelegd maar historisch gegroeid. Ook de nieuwe generatie politieke leiders steunt het bestel''.

Maar de enorme morele autoriteit van Fidel is wel heel bijzonder, vertelt ze. ,,De idee dat hij er niet meer zal zijn, vervult me met veel smart.'' En wellicht dat er na zijn verscheiden van buiten geprobeerd zal worden de Cubaanse samenleving te veranderen. ,,Maar ik kan me niet voorstellen dat alle inspanningen dan voor niets blijken te zijn geweest. Ik zal in ieder geval strijden om de revolutie te verdedigen. Met wapens als het moet.'' Want het vooruitzicht dat ze over tien jaar aan de slag moet achter de kassa bij de eerste Cubaanse McDonald's-vestiging aan de boulevard Malecón is eenvoudigweg onverdraagbaar.

En dan vertelt Inés O'Farill over die keer dat ze de kans had de merites van het Cubaanse maatschappelijke bestel goed te beoordelen. Na een uitnodiging en met geld van Braziliaanse vrienden kreeg Inés vijf jaar geleden een uitreisvisum om Brazilië te bezoeken. Mooi land, leuke mensen maar veel sloppenwijken, ongelijkheid en racisme, merkte ze. ,,Toen ik het gebouw van mijn vrienden in Rio de Janeiro betrad, zei de portier dat ik de dienstlift moest nemen omdat ik zwart ben.''

Ze keek rond in een staatsziekenhuis waar zieken op matrassen in de gangen lagen. ,,Op een gegeven moment zei de verpleegster tegen me: jij bent toch Cubaanse. Leen me jullie commandant voor één dag en het zal hier beter gaan.''

Op dat moment wordt het haar te veel.

,,Ik heb in Brazilië iedere dag gehuild van heimwee. Natuurlijk hebben wij hier slechte en goede dingen, zoals in elk land. Materieel ontbreekt het ons aan 't een en ander. Maar ik heb hier vrienden, rust en ik geloof in idealen. De kapitalisten hebben geld maar ze overschatten de waarde. Op Cuba hebben de mensen elkaar lief. Er bestaat een unieke solidariteit en genegenheid die voor geen geld te koop is.''

Heilstaat

Cuba is jarig. Het land hangt van onder tot boven vol met strijdbare leuzen om de Cubanen eraan te herinneren dat het 45 jaar geleden is dat het land werd bevrijd van dictator Batista. De feestelijke banieren dienen ook om de 11,2 miljoen landgenoten nog eens te wijzen op de historische rol die Cuba heeft te spelen in de strijd tegen het agressieve en verderfelijke imperialisme. Om de heilstaat te behouden.

Permanente politieke vorming is belangrijk. Een royale meerderheid van de Cubanen is jong en heeft nooit een ander politiek systeem en leider gekend dan het socialisme van Castro. Voor hen is het eenpartijstelsel een vanzelfsprekendheid. Bij veel jongeren ontbreekt bijvoorbeeld het Heilige Vuur dat je bij Cubanen van boven de 60 jaar wel aantreft. De ouderen herinneren zich maar al te goed het racisme en de enorme armoede van vóór de revolutie. Voor de bejaarde Cubaan is het enige referentiekader de jaren vijftig. Een ander politiek systeem is voor hen synoniem aan het wrede kapitalisme van die misselijke yankees, zonder gratis onderwijs en zonder gratis gezondheidszorg. Waarom zou je daar naar terugverlangen?

Maar jongeren zijn opvallend vaak politiek onverschillig. Ze storten zich vol overgave in het warmbloedige Cubaanse uitgaansleven. Ze kopen liever – doorgaans vervalste – Amerikaanse gymschoenen dan weer een nieuwe bundel redevoeringen van Fidel. En om aan geld te komen, wordt er heel wat afgescharreld. Jongens verkopen aan toeristen nepsigaren, opgerolde bananenbladeren met alleen aan de buitenkant een tabaksblad. Vrouwen spelen vrolijk de hoer en belagen, op zoek naar bijverdiensten, buitenlandse mannen.

Jongeren wantrouwen de nationale dagbladen – buitenlandse kranten zijn er niet – en het televisienieuws op de drie staatszenders waarin steevast de zegeningen van het Cubaanse stelsel worden bezongen. En het komt ook wel eens voor dat de jeugd een aflevering overslaat van het dagelijkse prime time tv-programma De Ronde Tafel waarin deskundigen doorgaans de kommervolle toestanden in het buitenland bespreken. Het stichtelijke nieuws kan ze niet zo veel schelen. Niet dat ze contra-revolutionair zijn maar ze zijn gewoon anders.

,,Ik hoop dat onze president Fidel Castro gewoon nooit doodgaat. Dat zou toch echt het beste zijn voor Cuba'', zegt de 23-jarige Pedro Gonzales Vila. De revolutie is wat hem betreft dik in orde maar val hem er niet de godganse dag mee lastig. ,,Mijn vorige vriendin verbrak de verkering omdat haar ouders me te min vonden. Met mijn huidige schoonouders heb ik eveneens problemen. Zij zijn communisten in hart en nieren en vinden mij te weinig revolutionair'', zegt Pedro. ,,Maar ik geloof heus wel in ons systeem. Ik heb alleen geen zin om steeds over politiek te praten. Een mens moet zich ook vermaken''.

Pedro is naar eigen zeggen ,,voor niets en niemand bang'' en daarom bereid met naam en toenaam te praten. Dat contrasteert nogal met die talrijke anderen die zich anoniem beklagen over hun land en leiders. De bezoeker wordt regelmatig vastgeklampt door mensen die niet verbergen ongelukkig te zijn. ,,Ik verveel me zo. Kun je geen drankje voor me kopen?'', vraagt een jongen. Cuba is een grote gevangenis, moppert een ander. Ja, we hebben gratis gezondheidszorg maar let niet op de kwaliteit van de ziekenhuizen. Er is nauwelijks betaalbaar voedsel. En we kunnen het land niet uit. Het zijn klachten die je steeds kunt optekenen. Anoniem uit angst voor represailles van het regime.

Voor dit verhaal is evenwel contact gezocht met de jonge Cubanen die, alles afwegend, wel degelijk tevreden zijn met hun politieke bestel. Zij die bijvoorbeeld menen dat het eenpartijstelsel te allen tijde moet worden gehandhaafd om te voorkomen dat er maatschappelijke verdeeldheid ontstaat. Jeugdigen die oprecht geloven dat hun orthodox-marxistische samenleving de best mogelijke maatschappelijke ordening is. Jongeren die zich zorgen maken over hoe het straks verder moet. Zonder Fidel.

Hanengevecht

Pedro dus. Hij zit bij een landweg even buiten de 200 kilometer westelijk van Havana gelegen provinciehoofdstad Pinar del Rio langs een tabaksveld een grote sigaar te roken. Hij wacht op een lift. `Autostop' is een veelbeoefende Cubaanse bezigheid, omdat er door gebrek aan brandstof nauwelijks bussen rijden. Pedro draagt een honkbalpetje en heeft een verse grote tatoeage op zijn rechterarm die hij regelmatig insmeert met een crème om infecties te voorkomen. Hij is van Pinar del Rio – waar hij bij zijn vader woont – onderweg naar Viñales waar zijn moeder en oma een huis hebben. ,,Dat is mijn religie. Iedere zondag lift ik naar mijn moeder om haar gedag te kussen. Meestal ga ik na een kwartiertje terug.'' Het is een excursie van 30 kilometer die hem door het gebrekkige openbaar vervoer soms een hele dag kost.

In Viñales voelt Pedro, die een studie volgt om automonteur te worden, zich niet meer op zijn gemak. Sinds Cuba vijftien jaar geleden begon het toerisme te stimuleren wordt Viñales overspoeld door bezoekers die er druipsteengrotten en bergen komen bekijken. Alles wordt er nu afgerekend in dollars en die heeft Pedro niet. Het leven is er niet meer zoals het was.

Maar even verderop, in het noordelijke kustplaatsje Puerto Esperanza kan Pedro laten zien hoe aangenaam het Cubaanse leven kan zijn. In dit dorp zonder toeristen proberen kinderen met een hengel en een klein visje aan het haakje grote zwarte vogels te vangen die rond de steiger in het water duiken. ,,Ze smaken naar kip'', zegt een vissertje. Militairen in groen versleten uniforms die hier wacht lopen – deze plek ligt even verwijderd van het vijandige Florida als Roermond van Maastricht – staan er rustig naar te kijken.

Deze zondag kunnen de inwoners voor een habbekrats hun van blikjes gemaakte bekers met pils laten vullen in een speciale biertankwagen die naast de open luchtdisco staat geparkeerd. De ouderen vermaken zich een paar kilometer verderop, in het veld verscholen tussen een groep bomen. Achter een haag van mannenhoeden, sigarenrook en kippengaas spettert bloed. Twee hanen zijn in een arena bezig elkaar dood te pikken, terwijl de omstanders schreeuwen en – illegaal – gokken. ,,Spring erop'', en ,,bijt zijn kop eraf'', brullen de supporters. Gemiddeld een kwartiertje duurt het voordat er een beest de geest geeft en er kan worden uitbetaald. Even verderop leggen mannen geld op een stuk papier waar zes nummers en vakjes op staan aangegeven. De winnaar wordt via een dobbelsteen aangewezen.

Pedro heeft een intuïtief, pragmatisch geloof in de socialistische revolutie. Alleen onder dit bestel kan het oorspronkelijke Cubaanse leven behouden blijven. ,,Het kapitalisme betekent nog meer toerisme en meer ongelijkheid''. Het enige dat hij werkelijk anders wil, is de mogelijkheid om tijdelijk in het buitenland te kunnen werken om er geld te verdienen. Pedro droomt er van ook andere culturen te leren kennen. ,,Ik wil de Eiffeltoren zien. Dat schijnt het mooiste gebouw ter wereld te zijn''.

Invasie

Cuba zal als één man verenigd een buitenlandse invasie succesvol weten af te slaan. Het is een leuze die in eindeloze variaties op grote borden overal staat aangegeven. Jongeren reproduceren die kreet aan het begin van elk gesprek. Zonder cynisme. ,,Als Amerika ons aanvalt, is dat hun laatste militaire actie'', zegt Pedro.

Maar in zeker opzicht is die inval van vreemdelingen al lang begonnen. Gedwongen door wat Cubaanse geschiedschrijvers De Speciale Periode noemen – het volledig stopzetten van de Russische hulp (olie) na het vallen van de muur – koos Cuba begin jaren negentig voor de ontwikkeling van het toerisme. Cuba maakte toen ellendige jaren door vanwege een vrijwel totaal gebrek aan deviezen. De toeristen met hun dollars – een munteenheid waarvan het bezit in 1993 werd gelegaliseerd – moesten weer brood op tafel brengen.

Maar de komst van al die bezoekers – dit jaar wordt het recordaantal van twee miljoen toeristen bereikt – heeft ook culturele consequenties. Het massaal tippelen van vrouwen en mannen – een hoer heet hier jinetera, ruiter op een paard – is een verschijnsel van de laatste vijftien jaar dat het socialisme aanvankelijk had weten te beteugelen.

Het gebruik van dollars naast de nationale munt de peso heeft in de Cubaanse samenleving een tweedeling veroorzaakt. De prostituée verdient met een klant vier maandlonen. De portier of de taxichauffeur die hun fooien in dollars opstrijken, heeft royaal meer middelen dan de dokter of de brave ambtenaar. Het heeft geleid tot een omgekeerde sociale piramide.

Inés Maria O'Farril heeft bijvoorbeeld geen dollars. Als boekhoudster verdient ze 231 peso per maand, dat is evenveel als negen dollar. ,,Genoeg voor twee stukjes ham'', zegt ze terwijl ze haar lunchpakket uit de tas haalt: een magere tomaat. Ze vertelt over de twee huwelijken die ze al achter de rug heeft. ,,Geen man houdt het met mij langer uit dan vier jaar. Ik ben te liberaal, te onafhankelijk. Een man mag van mij uitgaan zoveel als hij wil maar ik wil dat ook kunnen. En zoiets wil de Latino man zelden.''

De Cubaanse is nogal krap behuisd. In een armoedig pand in Havana heeft Inés O'Farill één kamer van twaalf vierkante meter zonder raam en met een minuscuul badkamertje. De inventaris bestaat uit een vijftig jaar oude Amerikaanse koelkast, een gasfornuis en een tv. De garderobe hangt in knaapjes boven haar bed. ,,Ik wacht al jaren op een beter huis maar die zijn schaars'', zegt ze. Ze doet laconiek over het gemis van een fatsoenlijke woning. ,,Ik kom hier toch alleen maar om te slapen.'' Maar op sommige momenten, zoals nu de waterpomp al drie weken stuk is en het hele pand zonder stromend water zit, verlangt ze erg naar een beter onderkomen.

,,Om te helpen de idealen van de revolutie te verdedigen'', is Inés vier jaar geleden lid geworden van de communistische partij. Ze is nog steeds bereid zich opofferingen te getroosten voor de goede zaak. Maar de verdere ontwikkeling van de socialistische samenleving wordt volgens haar niet alleen bemoeilijkt door de externe blokkade die de Verenigde Staten hebben opgelegd. De VS staan geen rechtstreekse handel toe tussen Cuba en de VS, behalve medicijnen en voedselproducten. Een extra probleem is, zoals Inés het noemt, ,,de interne economische blokkade''. Er zijn nationaal te veel belemmeringen die een groei in de weg staan.

Inés begint op een papiertje een ruwe rekensom te maken. Van de ruim elf miljoen Cubanen zijn er vier miljoen minderjarig of student. Een miljoen Cubanen zijn met pensioen. Zo'n drie miljoen Cubanen ontvangen dollars van familieleden die in het buitenland wonen. ,,Die werken vaak niet. Ze hebben dezelfde rechten als elke andere Cubaan op voorzieningen maar dragen dus niets bij''. De resterende arbeidsbevolking van zo'n drie miljoen Cubanen moet daarom het geld verdienen. ,,Maar onder hen zijn ook veel docenten, medici, militairen, administratieve krachten en noem maar op. De arbeiders die iets produceren waar geld mee kan worden verdiend, zijn nauwelijks talrijk genoeg. Steeds minder mensen moeten steeds harder werken. En daar maak ik me zorgen over.''

Dissidenten

De kritiek die ook onder de communistische gelovigen valt op te tekenen, is zelden politiek van aard. De kwestie bijvoorbeeld van de 75 dissidenten (journalisten, intellectuelen en mensenrechtenactivisten) die een jaar geleden werden opgepakt en die straffen kregen tot 28 jaar wegens staatsondermijnende activiteiten, is onder gewone Cubanen nauwelijks bekend.

Als het onderwerp van politieke gevangenen ter sprake komt, denkt Pablo Alvarez Sanchez (27) automatisch dat het gaat over de vijf Cubanen die in Florida in de gevangenis zitten. Zij werden drie jaar geleden tot levenslange gevangenisstraffen veroordeeld wegens spionage. In heel Cuba wordt veel aandacht besteed aan hun lot omdat de veroordeelden volgens de Cubaanse regering alleen infiltreerden in de `Cubaanse maffia in Miami' om terreuraanslagen op Cuba te voorkomen.

Pablo en zijn echtgenote Rosanna (34) zitten aan de tafel van hun driekamerwoning in Havana waar ze samenwonen met Rosanna's 73-jarige moeder Juana en 12-jarige zoon Arturo. De buitenlandse bezoeker wordt allerhartelijkst getrakteerd op zelfgemaakte chocoladepudding, een beschuitje en een kop koffie. Pablo en Rosanna stralen. Ze zijn net 5 maanden getrouwd en een stuk gelukkiger dan in hun vorige huwelijk.

Echtscheidingen zijn onder Cubaanse jongeren een zeer algemeen verschijnsel. Het is een uitzondering om in Cuba een koppel te treffen dat langer dan vijftien jaar is getrouwd en in één huis woont met de eigen kinderen. Door de krappe woningmarkt is er meestal sprake van inwonende familieleden. En nog afgezien van de praktische noodzaak is voor veel Cubanen het idee dat je je ouders op een goed moment opbergt in een bejaardenhuis een erg onbarmhartige daad. ,,De vaak beroerde huisvesting heeft wel tot gevolg dat huwelijken snel mislukken. Je hebt ook meestal geen tijd elkaar eerst goed te leren kennen'', zegt Rosanna.

Ook Pablo heeft altijd een turbulent familieleven gekend. Toen hij veertien was nam zijn vader de benen. ,,Hij bleef in Miami achter toen hij in opdracht van de regering naar het buitenland reisde om fruit in te kopen.'' Sindsdien heeft hij zijn vader nooit meer gezien. ,,Hij belt één keer per jaar.'' Geld heeft zijn pa nog nooit gestuurd.

Rosanna en Pablo noemen zichzelf heel nadrukkelijk revolutionairen. Pablo is een verantwoordelijke werker. Hij toont zijn onlangs verkregen diploma waarin staat dat hij binnen de coöperatie van 22 meubelwerkers is verkozen tot beste arbeider van 2003. Pablo is zijn hele jeugd lid geweest van de Unie van Jeugdige Communisten (UJC). Rosanna is aangesloten bij de communistische partij en dat betekent dat ze in het warenhuis La Época waarin ze werkt met andere partijgenoten problemen als corruptie of diefstal bespreekt.

,,Cubanen houden ervan hard te werken'', zegt Pablo. Maar ze zijn anders dan in de Verenigde Staten waar ze ,,alleen maar leven om te werken. Daar heeft iedereen stress. Hier kennen buren elkaar en helpen als het moet.'' Dat is een stuk beter leven dan het bestaan van de naar Miami gevluchte Cubanen ,,die nu de stront van de Amerikanen moeten opruimen.''

Maar ook Pablo en Rosanna zouden het niet vervelend vinden als de revolutionaire Cubanen ietsje meer zouden kunnen verdienen. Pablo krijgt 1.200 peso per meubel dat hij fabriceert. De Staat verkoopt die stoel voor 320 dollar (8.000 peso). Zijn salaris lijkt veel maar in de praktijk valt het tegen. ,,Ik heb nu al vijftien dagen niets kunnen doen omdat het ontbreekt aan materialen. Het komt haast nooit voor dat we gewoon aan een stuk door kunnen produceren.''

Rosanna verdient maandelijks 245 peso. Als ze tenminste niet ziek is want dan wordt – na overleg van een doktersverklaring – tien procent ingehouden. ,,Het is geen vetpot'', zegt Rosanna. Het tweede deel van Harry Potter dat de leesverslaafde Arturo zit te lezen – de jongen wil later dokter of advocaat worden – kost 5 dollar, een half maandsalaris.

,,Mijn grootste wens is om datgene te kunnen doen wat de buitenlanders hier mogen. Andere culturen leren kennen. De regering denkt dat Cubanen wegblijven als ze naar andere landen reizen. Maar nu keren ze niet terug omdat ze zich te weinig vrij voelen. Als ze de vrijheid zouden hebben, zouden ze ook weer terugkeren'', zegt Pablo. Geen leuker land immers dan Cuba.

Rosanna deelt zijn gedachten. Zij wil ook naar een dansvoorstelling in de luxe hotels waar een show tientallen dollars kost en daardoor ontoegankelijk is voor de gewone Cubaan. De goede dingen van het land, van sigaar tot koffie, kreeft of muzikant, worden geëxporteerd om de broodnodige deviezen binnen te halen. ,,In ons land hebben de buitenlandse bezoekers prioriteit. Zij genieten de vruchten. Maar het kan toch niet zo zijn dat wij, die hier geboren zijn en heel ons leven strijden voor de socialistische revolutie, worden achtergesteld ten opzichte van de kapitalistische toeristen?''

Het kapitalisme betekent nog meer toerisme en nog meer ongelijkheid