Brits referendum ook economisch riskant

Het besluit van de Britse premier Tony Blair om in zijn land een referendum te organiseren over een nieuwe Europese grondwet houdt een risico in voor beleggers. Ondanks een grote meerderheid voor zijn partij in het parlement voelt de Britse regeringsleider zich niet langer sterk genoeg om zijn pro-Europese standpunten op te dringen aan een sceptisch publiek. Daarom is het vrijwel zeker dat het referendum wordt uitgesteld tot na de volgende algemene verkiezingen.

Het is helemaal niet zeker dat het volk zal instemmen met het constitutionele verdrag, dat zonder enige twijfel een lang en saai document zal zijn. De pers, die in Groot-Brittannië veel invloed heeft, is grotendeels vijandig. Veel mensen in het Verenigd Koninkrijk zien de Europese Unie als een instelling die ze met liefde haten. Het Verenigd Koninkrijk staat huiveriger tegenover Europa dan de meeste andere Europese landen, maar is niet het enige land met bedenkingen.

Referenda over andere Europese onderwerpen in Zweden, Frankrijk, Denemarken en Ierland zijn negatief uitgevallen of hebben het maar net gered. Een afwijzing in Groot-Brittannië zou de eurosceptici elders een hart onder de riem steken.

Wat de culturele argumenten ook mogen zijn, de Europese Unie is over het algemeen gunstig geweest voor beleggers. Een tweeledige aanpak van regulering en het openstellen van markten heeft grotere bedrijven een steun in de rug gegeven en tot homogenere markten voor goederen en financiële diensten geleid. Nokia zou bijvoorbeeld nooit zijn huidige omvang hebben gekregen zonder de door de Europese Unie via moeizame onderhandelingen bereikte GSM-standaard.

De arbeidsmobiliteit heeft geleid tot een doelmatiger inzetbare beroepsbevolking. De euro heeft de kosten van het financieren en draaiend houden van bedrijven omlaag gebracht. De nieuwe lidstaten in Centraal Europa zouden zakenlieden en beleggers ook goede mogelijkheden moeten bieden. De voormalige communistische landen hebben waarschijnlijk te veel economische nadelen – met name te ambitieuze sociale zekerheidsstelsels en kleiner wordende, verouderende bevolkingen – om de snelle groei te bewerkstelligen die Spanje heeft laten zien nadat het zich aansloot bij de Europese Unie. Niettemin vormen deze landen een grote nieuwe markt met nauwelijks gevestigde concurrenten. Zowel in fysiek als in cultureel opzicht bevinden ze zich dicht bij het westen. Als het Britse referendum mislukt, zal het constitutionele verdrag niet ten uitvoer worden gelegd. Op zichzelf zou dat geen ramp zijn.

De expansie, de euro en het eindeloze reguleringsproces zouden allemaal doorgaan. Toch zou de bureaucratie van de Europese Unie zonder de heldere administratieve structuur van het nieuwe verdrag steeds logger worden en de besluitvorming trager.

Belangrijker nog: in een Europa dat zich tegen de Europese Unie verzet, zou de wil in de nieuwe landen om economische barrières te slechten gering zijn. De economische voordelen van de Europese Unie zijn in het leven geroepen door ontelbare kleine stappen, die tal van transnationale verschillen hebben helpen gladstrijken.

Een bureaucratie met minder macht zal minder stappen nemen, hetgeen de economische vooruitgang kan schaden.