Als we bidden hoeft God nog niet te bestaan...

God is er omdat er godsdienst is. Hij is degene die antwoordt op gebeden. Maar wie of wat God is, blijft zelfs in het gebed meer dan schimmig.

Halverwege de jaren '60 kwam het eerste anti-Godsbewijs in mijn leven. Ik was tien of daaromtrent, en Joeri Gagarin was nog niet zolang daarvoor als eerste mens in de ruimte geweest. Maar, zo vertelde mijn neefje op gezag van de toenmalige sovjetautoriteiten, Gagarin had God daarboven niet gezien. Niets dan de leegte van het heelal, die Pascal driehonderd jaar eerder al angst en verlorenheid had ingeboezemd.

Toch overtuigde het sovjetargument me evenmin als het omgekeerde bewijs dat een schoolvriendje een paar jaar eerder had gegeven. Dat wilde nu juist een geloof veiligstellen, tegen mijn eigen

ijzeren ongeloof in. Het ging dan ook niet over God, maar over Sinterklaas, voor wiens bestaan mijn vriendje een hard en tastbaar bewijs aanvoerde. Zijn vader was in het bezit van een Sinterklaaszak met de persoonlijke handtekening van Zwarte Piet. Instinctief voelde ik dat er aan de redenering iets schortte, maar het lukte me niet duidelijk te krijgen wat.

Dat beide bewijzen zich als een soort flashbulb memories in mijn geheugen hebben genesteld, kan niet aan hun overtuigingskracht gelegen hebben. Indruk maakte op mij vooral hun manifeste ontoereikendheid, die niettemin moeilijk bewijsbaar bleek. Voor een goed begrip van de vervalsbaarheid van iedere handtekening was mijn vertrouwen in de volwassen wereld nog te groot. Het sovjetargument trof me daarentegen als primitief op het karikaturale af. Dat God niet langer geacht werd te huizen in de kosmos, maar in het gelovige hart, was me van jongs af aan bijgebracht. Maar daarmee waren de moeilijkheden niet verholpen. Want wat betekent in dat geval nog het woord `bestaan'?

Een fysiek bestaan kan dat niet zijn. Een beschrijving van een stand van zaken, zoals de astronomie die geeft van de stand van de sterren, is de godsdienst nu eenmaal niet. Er zit geen gat in de natuurlijke realiteit waarop slechts de religie licht kan werpen. Het biedt voor de gelovige dan ook weinig soelaas de witte plekken die de wetenschap nog niet heeft doorvorst, aan te grijpen om God zijn plaats te geven. Steeds weer opnieuw heeft de religie haar natuurlijke bastions moeten verlaten, onttoverd als ze werden door het voortschrijdende wetenschappelijke inzicht, en zo'n herhaalde aftocht draagt weinig bij aan de geloofwaardigheid.

Sinds God zich eruit heeft teruggetrokken, is het universum niet meer ons thuis, en dat geldt niet alleen voor het kosmische. Ook wijzelf zijn radicaal natuurlijke wezens, zo hebben de wetenschappen de afgelopen eeuwen duidelijk gemaakt.

Als zandkorrels in een oneindige ruimte zijn ook wij steeds verklaarbaarder geworden, onttoverd en geobjectiveerd. Wij zijn ons eigen, koude universum en die blik in onze eigen oneindigheid verschrikt ons.

Want in dit natuurwezen kan de mens zichzelf maar moeilijk herkennen, zoals hij ook in het universum de oude hemelkoepel niet meer terugziet. Beide zijn hem letterlijk unheimlich geworden, terwijl hij niettemin zeker weet nog altijd zichzelf te zijn. Wat hij ziet is een onherbergzaam universum, maar wat hij bewoont is een wereld waarin hij zich ondanks alles nog altijd geborgen weet. De twintigste-eeuwse filosofie heeft voor die vitale sfeer de term `leefwereld' bedacht.

Het is nogal misleidend te menen dat wij, modernen, in een wetenschappelijke werkelijkheid terecht zijn gekomen. De wetenschap is ontegenzeglijk alomtegenwoordig, maar in ons bestaan vormt ze, ondanks de schijn van het tegendeel, een randverschijnsel. De wereld die ik bewoon is nog altijd plat, hoe weinig het ons inmiddels ook verbaast dat Columbus ooit op Amerikaanse kusten heeft kunnen landen. Nog altijd drinkt iedereen water en geen H2O, en nog altijd is Bachs Erbarme dich ontroerend, hoe overtuigend neuropsychologen ook kunnen uitleggen dat een muziektempo lager dan dat van de hartslag nu eenmaal altijd droevig klinkt.

In al deze voorbeelden vormt datgene wat de wetenschap blootlegt, de materiële basis van wat zich in de leefwereld toont. Maar dat laatste kan niet tot het eerste worden teruggebracht, wordt daardoor niet verklaard en al helemaal niet in zijn eigenlijke waarheid blootgelegd. Die waarheid is, onherleidbaar: mijn evenwicht, mijn dorst, mijn ontroering. Wat kan dan het `bestaan' van God nog betekenen, wanneer het nergens anders meer aanwijsbaar is dan in het menselijk bewustzijn dat zich ontplooit in zijn eigen levenssfeer?

Om die vraag te beantwoorden, moeten we ons minder laten leiden door de kennisvraag wie of wat God is dan door de vraag hoe het geloof en de naam `God' functioneren. Het gaat allereerst om wat een gelovige doet, niet om wat hij zegt. Dát hij iets zegt, bijvoorbeeld in het gebed, is veel belangrijker dan wat hij zegt. Het in acht nemen van religieuze handelingen en plichten weegt zwaarder dan de vraag waarnaar zij heten te verwijzen.

Een gelovige doet dat allemaal in Gods geest en tot diens meerdere glorie, maar wat betekent dat? Van God ziet of merkt hij nu eenmaal niets, behalve nu juist in deze godsdienstoefeningen. In welk opzicht onderscheidt God zich van dit ritueel, dat op gezette tijden wordt voltrokken en daarmee de levensgang van de gelovige vorm en ritme geeft?

Wat uit deze gestage ritualiteit opstijgt, is het antwoord op de vraag naar betekenis in zijn leven dat hem daarin toevalt. De godsdienstoefening boezemt het vertrouwen in dat hij behoed is door en in de orde der dingen, samen met de anderen om hem heen, in een wereldomspannende gemeenschap die de mensheid bindt door de ruimte en de tijd. Hij is niet alleen, maar heeft zijn plaats in een geheel dat hem draagt, en die ervaring overkomt hem als een geschenk dat hij `genade' noemt.

In deze ervaring bestaat zijn geloof. Traditie en ritueel zijn geen vormen waarin het geloofsmysterie is ingepakt: het zijn er de actualiseringen van. Daarin wordt het geloof realiteit en bestaat het als vorm en inhoud tegelijk. De gelovige weet dan ook niet meer dan wat zijn zintuigen en verstand hem zeggen. Hij weet dat reeds-bekende hoogstens op een iets andere wijze. Het geloof dat hem bezielt is geen belief maar faith of foi: het vertrouwen dat de wereld er uiteindelijk voor hem is, in orde en zijn vertrouwen waard.

Heeft een God hem dat vertrouwen geschonken? Zo lijkt het wel. God is degene die antwoordt op zijn gebeden. Maar wie of wat God is, blijft ook dan méér dan schimmig: verborgen achter een onbegrijpelijkheid die de theologen met opzet, lijkt het, zo ondoordringbaar mogelijk hebben gemaakt. Niet schimmig, daarentegen, zijn het staccato waarmee het godsdienstige ritme zijn levenstijd ordent, en de wetenschap opgenomen te zijn in een gemeenschap. Dit alles vormt zijn huis en zijn levensoriëntatie, en daarmee schenkt het hem het geluk zich gewenst, gerechtvaardigd en op zijn plaats te voelen.

God is er, met andere woorden, omdat er godsdienst is. En godsdienst is er als een erfenis uit een ons vreemd geworden tijdperk waarin God en mens samenwoonden binnen één kosmos, die nog niet was uiteengevallen. De echo van die aanwezigheid klinkt nog na in een rituele traditie die ons met hen verbindt, maar waaruit de goddelijke realiteit is vertrokken. Om het Credo (het `geloven dat...') kan het in het moderne geloof dan ook niet meer gaan. Wat rest is hoogstens het krediet van een vertrouwen dat zich niet meer kan grondvesten in enige kosmische realiteit, maar dat het leven van de gelovige niettemin als een geschenk toevalt.

In werkelijkheid is dit vertrouwen nooit zonder twijfel. Niet omdat het er niet zeker van kan zijn dat de vraag `Bestaat God?' positief kan worden beantwoord. Als er van `bestaan' al sprake is, dan niet in termen van `zijn' maar van kracht: God bestaat bij krachte van het ritueel. Voor de moderne religieuze praktijk is die vraag veeleer een restproduct.

De gelovige twijfelt, omdat de overtuiging dat de wereld voor ons gemaakt is, steeds weer opnieuw moet worden heroverd op de verschrikking van het kwaad en een onverschillig universum. Daarvoor is hij verre van blind, hoe vreemd bestrijders van de godsdienst het ook mogen vinden dat hij zijn geloof niet verliest wanneer God zijn gebeden niet verhoort of hem op de proef stelt. De relatieve immuniteit van het geloof daarvoor wortelt eerder in zijn overtuiging dat het enige wapen tegen de totale wanhoop een hernieuwde betuiging van vertrouwen is, die juist doordat ze wordt uitgesproken dat vertrouwen helpt te herstellen. Voor het kwaad in de schepping is het misschien zelfs minder blind dan het atheïsme dat zich daarmee legitimeert. Het weet, integendeel, dat het een onaanvaardbaar risico loopt de vreugde van het bestaan geheel te verliezen, wanneer het aan de verschrikking het laatste woord geeft.

Een indrukwekkend voorbeeld daarvan was onlangs opnieuw op de tv te zien, te midden van de beelden uit de eerste weken van het schandaal-Dutroux. In een Waalse kerk stonden (bij de begrafenis van Julie en Melissa) twee kleine witte kistjes en de officiant preekte: Est-ce que le bon Dieu est sourd?

Penetranter kon de vraag niet gesteld worden, en het antwoord deed er eigenlijk niet eens zoveel toe. Het belangrijkste was dat die vraag werd uitgesproken, en wel daar en met die bewoordingen: `le bon Dieu'.

Uiteindelijk bleef het woord `goed' het duurzaamste, met een stoutmoedigheid die theologisch op het blasfemische en menselijk op het cynische af leek te zijn, maar het precies daarom niet was.

Zelf zou ik, mocht mijn kind zoek of erger zijn, de sterren van de hemel bidden en mij noch dan, noch later, noch nu ook maar iets aan mijn eigen atheïsme gelegen laten liggen. Dat betekent niet dat de godsdienst een panacee is, die onfeilbaar troost en vertrouwen schenkt. Ook gelovigen verliezen onder dergelijke omstandigheden soms hun vertrouwen en wie zal hun dat kwalijk nemen? De vraag is niet zozeer of zij dat vertrouwen aan andere bronnen wél zouden kunnen herwinnen. De vraag is eerder of zij onder dit realisme dat van geen illusie meer weten wil, werkelijk beter af zijn.

Waarom bidt de gelovige wanneer het leven hem zwaar valt, in plaats van die zwarigheid illusieloos onder ogen te zien? Getuigt het van een hogere menselijke deugd of gaat er ook iets onbarmhartigs en zelfs masochistisch van uit? Juist deze heldentenor-achtige onverschrokkenheid ademt, hoe `realistisch' ze zichzelf ook voordoet, een door en door romantische geest.

In de leefwereld kunnen wij het helaas niet zonder illusies stellen. De religieuze is er slechts één van, naast de esthetische, de ethische, de hedonistische en welke al niet. Vooralsnog lijkt de godsdienst daarin een hardnekkige betekenis te behouden, groter dan haar directe rivaal de kunst. Die laatste heeft bij lange na nog niet de rituele diversiteit weten te ontplooien waarover de godsdienst beschikt. Het ontbreekt haar zelfs uitdrukkelijk aan ritualiteit, die ze in haar moderne roep om oorspronkelijkheid per definitie afwijst.

Daarmee hangt samen dat de godsdienst het, anders dan de kunst, niet in het spectaculaire zoekt, al is hij daar op zijn tijd niet afkerig van. De godsdienst heeft voor zijn rituelen het schone of sublieme echter niet nodig en voelt zich in zekere zin zelfs beter thuis in de alledaagsheid. Hij gedijt bij een zekere sjofelheid, precies omdat daarin zijn vanzelfsprekendheid schuilt.

Het on-dramatische van de godsdienst is bij uitstek de toonaard van de gelovige, die dan ook niet om de mooie muziek naar de kerk gaat. Wat hij in de kerk vindt is niet de grootsheid van een andere werkelijkheid (de schoonheid), maar een bijna niet meer waargenomen sleur die zijn leven terloops richting geeft. Terwijl de kunst het hemelse (of eventueel het helse) zoekt, steekt de godsdienst daarbij verrassend genoeg af als de meest immanente van de twee: aardser, nuchterder en vooral volkser. Deze religie van de leefwereld is dan ook niet die van de geloofsheld, de godsdienststichter en de mysticus. Tegenover de vurigheid van die laatsten steekt de alledaagse gelovigheid nogal dunnetjes af, maar ze verdient een rehabilitatie. Het meest duurzame en leefbare geloof is het lauwe, niet het gloeiende dat te veel of misschien zelfs alles wil. Daarom ziet het zich zo vaak teleurgesteld en maakt het van de weeromstuit plaats voor een even hartstochtelijke godloochening. De kerkganger haalt er wijselijk de schouders over op.

Filosoof en schrijver. Dit is een ingekorte en bewerkte versie van de op 2april gehouden Alfrinklezing, de publiekslezing van de Radboudstichting.