Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

,,Er waren geen communisten in het dorp. Op een goed moment kwam er een. Niemand sprak met hem. Hij zei tegen mijn vader: `U bent de enige met wie ik hier kan spreken.' Later kwamen er enkele communisten om mijn vader te arresteren. De huishoudster, Olga, voorvoelde het en riep mijn vader de kamer uit waar hij met de mannen zat. Ze had een tas voor hem gepakt en de motor klaargezet. Door het park de helling af door de bossen is mijn vader op zijn motor ontsnapt.''

We zitten in de zitkamer die statig zou kunnen zijn maar nu iets van een studentenkamer heeft. Aan één muur hangen foto's van zijn oude Hongarije, de andere toont haar Engels verleden; grote mannen en dito huizen, de tussenliggende muur – de enige met kleurenfoto's – hangt vol met hun gezamenlijke verleden; Zimbabweaanse herinneringen. De twee ramen in de vierde wand tonen waar ze nu zijn: een onopgeknapte zijstraat in het Boedapester centrum.

Hij heeft verteld hoe hij samen met zijn oom, Tamas Széchenyi, in 1949 uit Hongarije vluchtte. Lopend gingen ze, met een gids, een oud-officier uit het Hongaarse leger, die hen in Oostenrijk bracht. Het laatste stuk tussen wachttorens met mitrailleurs moesten ze gebukt sprintend afleggen. De gids werd bij terugkomst in Hongarije opgepakt en zodanig afgetuigd dat hij nooit meer normaal kon lopen.

Terwijl hem twee keer in zijn leven al zijn bezit is afgenomen komt er geen klacht over zijn lippen. Op de Nederlandse televisie zag ik twee geblauwspoelde dames klagen bij op de camping in brand gestoken auto's. Het droop van hun gezichten dat dit hier een misdaad tegen de mensheid betrof. `Je kunt geeneens meer zien welk merk het is!' kraaide de een. Toen ik die intens middelmatige verongelijktheid zag was ik weer blij als een jonge hond dat ik ver weg in Centraal Europa zit.

De 2.000 hectaren in Somogy waren hen in 1946 afgenomen, de 800 hectaren in Zimbabwe werden vier jaar geleden door Mugabe's oorlogsveteranen ingepikt, alleen de begraafplaats in Somogy waar alle voorvaderen liggen werd nooit onteigend. Behouden aarde. Het is niet groot, 4.000 m2 misschien, maar iedereen ligt er. Zijn moeder, die stierf toen hij drie was. Zijn oom die hangend aan een deur gevonden werd in het familiehuis enkele honderden meters verderop. (De butler kreeg de schuld van de moord.) Zijn tante die zich door het hoofd schoot omdat ze de man die ze liefhad niet mocht zien. Alleen zijn vader ligt er niet – die reisde zijn zoon achterna naar Zimbabwe en is daar in 1976 begraven.

Voorzichtig vraag ik: ,,Wilt u ook op de begraafplaats begraven worden?''

Hij knikt. Zij zwijgt.

Ze zijn niet veel ouder dan mijn eigen moeder maar ze zien er veel brozer uit. Hij heeft het uitgebeende, door de zon verweerde en genobelde gezicht van een Afrikaanse boer. Zij oogt alsof ze al die Afrikaanse jaren binnen heeft zitten lezen, breien of bidden, in ieder geval iets deed waarbij ze minder in de zon is geweest. Dan zegt zij: ,,Het gras wordt niet gemaaid, het staat er zo hoog. Er groeien brandnetels, bramen. Het gaat niet.''

Hij zegt: ,,De vorige eigenaar van het hotel liet het onderhouden, die vond het wel mooi, de geschiedenis, maar nu de Ieren, die doen er niets aan.''

Ik zeg: ,,Wij kunnen het door iemand uit het dorp laten onderhouden als u wilt. Zolang wij in het dorp zitten kunnen wij daar zorg voor dragen.''

Niet lang daarna ga ik naar Somogy. Het is avond. In de verte liggen de bergen van de Mecsek. Ik parkeer de auto aan de rand van het dorp en wandel over een modderpad in de richting van de begraafplaats. Honderd meter verderop zit een oude rode Lada vast in de modder. Een groepje mannen en vrouwen is in de weer de auto los te trekken. Een boordevol geladen aanhanger zit aan de Lada gekoppeld. Ik denk: het zal toch niet gebeuren dat net onder mijn ogen de begraafplaats leeggehaald wordt.

Ik groet de zigeuners. Ze koppelen de aanhanger los. Hij is twee meter hoog opgeladen met schroot. Ik laat mijn blik over de lading glijden om te zien of er geen marmeren grafstenen uitsteken, maar gelukkig zie ik alleen maar gedeukte motorkappen en roestige kardanassen.

De begraafplaats is onomheind. Het graf van de moeder torent boven het onkruid uit. Een simpel maar hoog hardstenen kruis. Alleen haar naam, geboorte- en sterfjaar. Wilde zwijnen hebben rondom de aarde omgewoeld. Het graf van de moeder is het enige dat intact is. Twee graven van familieleden zijn opengemaakt. Je kunt in de graven kijken. Iemand heeft gedacht hier sieraden aan te treffen. Her en der liggen scherven van grafzerken.

Eigenlijk, besef ik, kun je je niet bemoeien met de begraafplaats van een ander. Hij moet het zelf organiseren. Of zijn nageslacht. Je kunt je met veel bemoeien, maar niet daarmee. Hoe goedbedoeld, is het een vorm van onteigenen.

In de populieren beginnen vogels te zingen. Ik weet niet hoe die vogels heten, maar als deze vogels zingen, dan weet je dat het lente is. Daar, in Somogy met in de verte de Mecsek, op dat verwoeste familiegraf, op het tijdstip dat de dag overgaat in de nacht, begint de lente van 2004.