Het nieuws van zaterdag 24 april 2004

Ron Sexsmith:

In alle bescheidenheid bouwt de Canadese zanger Ron Sexsmith aan een adembenemend oeuvre. Niet adembenemend in de zin dat zijn liedjes de luisteraar bij de keel grijpen, maar juist in het understatement is Sexsmith een ster. Zijn grote held is landgenoot Gordon Lightfoot, niet de hipste naam die je als aanstormend singer/songschrijver kunt noemen, maar wel een ambachtelijk liedkunstenaar die grote emoties in kleine liedjes met poëtische teksten wist te vangen. In al haar tijdloze schoonheid herinnert de muziek van Ron Sexsmith aan andere introverte grootheden als Nick Drake en de jonge Jackson Browne, met wie hij het melancholieke en ietwat neuzelige timbre deelt. Na de nodige valse starts en uitstapjes als het country-getinte Blue Boy vond Sexsmith op zijn voorlaatse album Cobblestone Runway de perfecte balans tussen dromerige introspectie en pittige folkrock. Die werkwijze wordt voortgezet op zijn zevende album Retriever, dat niets meer of minder doet dan twaalf prachtige liedjes aan zijn repertoire toevoegen. Soms met violen, soms met milde rockbegeleiding van onder anderen pianist Ed Harcourt en de drummer en gitarist van Britpopgroep Travis, soms alleen met Sexsmiths sprankelende akoestische gitaar en altijd met de goudeerlijke openhartigheid van iemand die de vinger op de zere plek weet te leggen. ,,Happiness is hard to come by'', zingt hij met Jonathan Richman-achtige naïviteit, ,,so good while it lasts''. In `Imaginary friends' waarschuwt hij voor het opportunisme dat aan de basis van meeste vriendschappen ligt en zelfs in zijn liefdesliedjes is Sexsmit de eerste om de schaduwzijde te ontwaren. `For the driver' neemt het op voor de underdog: ,,I feel for the soldier / in the throes of war / sent off to settle someone else's score.'' Retriever stroomt over van compassie, verlies en hartstocht; ouderwetse thema's die zo mooi worden bezongen dat ze van alle tijden zijn.

De gelukzalige lezer

Op weg naar Helden-Panningen voor een lezing was ik de enige in de trein die een boek las. De andere reizigers telefoneerden luidkeels door elkaar heen. Links, rechts, voor, achter, van alle kanten klonken ludieke belmelodietjes en stemmen op meeluistersterkte. Weliswaar ben ik opgegroeid in een groot gezin en heb ik geleerd omgevingsgeruis te verdragen, maar Hella Haasses Mevrouw Bentinck of onverenigbaarheid van karakter viel niet te accorderen met het volumineuze koor van onsamenhangende monologen over huiselijke zaken om me heen. Het was zaterdagmiddag, en daar moet het aan gelegen hebben dat er geen andere lezers waren. Gewoonlijk zit ik met geestverwanten in de trein, die waarschijnlijk net als ik vinden dat er nergens anders zo heerlijk gelezen kan worden. Als ik naar Maastricht of Groningen reis, verheug ik me op de lange leestijd en bestem al enkele dagen eerder een bepaald boek voor de reis. Van medereizigers wil ik altijd weten wat zij lezen. Snel kijken als ze het boek even neerleggen, een denkbeeldige veter strikken om van onderen naar de omslag te kijken, in de ruit staren en het spiegelschrift proberen te lezen, ik heb geen rust voordat ik de titel weet. Het mooiste is het als er iets heel onverwachts uitkomt. Geen Marianne Frederiksson of Geert Mak, maar Herman Heijermans Diamantstad in handen van een jonge jongen die daar volstrekt in op leek te gaan. Hij had dat speciale gezicht van de gelukzalige lezer, dat overal waar lezers in een boek verdiept zijn hetzelfde is. Er is iets merkwaardigs fysieks aan de hand met de lezer. De verstilling van zijn mimiek lijkt op die van een slapende, maar de gelaatskleur is anders, gespannen en toch gelijkmatig. De ogen zijn zelfs neergeslagen groot. De naar binnen geslagen concentratie sluit de lezer af voor impressies van buiten, maar hij heeft niets dromerigs over zich. Hij lijkt op de standbeelden van Rodin: ze staan onbeweeglijk maar van binnen zindert kracht.