Zelfmoord is levenslang

Is het leven privé-bezit waar een ieder vrij over kan beschikken? Of leidt de nadruk op zelfbeschikking juist tot onverschilligheid tegenover vaak verwarde mensen, die zich van het leven willen beroven? In een nieuw boek kiezen twee auteurs partij.

Ieder jaar proberen in Nederland naar schatting zo'n dertigduizend mensen zich van het leven te beroven. Van om en nabij de vijftienhonderd mensen slaagt die poging. Ter vergelijking: het aantal dodelijke verkeersslachtoffers is jaarlijks ongeveer duizend. Op diverse manieren, onder meer door preventie via tv-spotjes en het veiliger maken van bepaalde risicoplekken in het verkeer, probeert de overheid dat aantal verkeersslachtoffers te verkleinen. Er bestaat, terecht, weinig discussie over nut en noodzaak van dat overheidsstreven. Maar die groep van vijftienhonderd zelfmoordenaars lijkt, afgaand op politiek en media, niet te bestaan. Veel landen in Europa kennen een door de politiek gesanctioneerd nationaal plan voor zelfmoordpreventie. In die plannen staat vaak een aantal praktische beleidsvoorstellen. In Frankrijk zijn bijvoorbeeld op de meest risicovolle plekken langs het spoor van de hogesnelheidstrein hekken geplaatst die het moeilijker maken om de treinrails te betreden.

Vorig jaar werd in ons land het Nationaal Actieplan Suïcidepreventie opgesteld en aangeboden aan de politiek. Dat initiatief is tot nog toe zonder concrete beleidsresultaten gebleven. Terwijl in het verkeer voor de automobilist vrijwel niets aan het toeval lijkt te worden overgelaten, overheerst tegelijkertijd in Nederland kennelijk het idee dat het recht van de kandidaat-zelfmoordenaar zwaarder weegt dan onze morele plicht zo'n zelfmoord te voorkomen of in ieder geval in praktisch opzicht te bemoeilijken. Zo'n praktische bemoeilijking wordt gezien als een vorm van doorgeschoten betutteling. Ethica en VVD-politica Heleen Dupuis motiveerde het zelfbeschikkingsrecht van de aspirant-zelfmoordenaar eens als volgt: `Het leven is het privé-bezit van iedereen afzonderlijk. Iedereen heeft het recht over dat eigen leven te beschikken.'

In theorie is dat een nobel uitgangspunt, in de praktijk blijkt het door Dupuis en anderen benadrukte recht niet altijd in het voordeel te zijn van mensen die door hun meestal tijdelijke – psychische gesteldheid een verwrongen beeld hebben van zichzelf en hun levensverwachting. Het verwrongen zelfbeeld maakt deel uit van hun ziektebeeld of hun depressie. Het zijn vaak de obsessies, de zelfverachting en soms ook de wanen van de behandelbare patiënt die worden verward met de rechten van het handelingsbekwame individu. Vergelijk dit recht op zelfmoord bijvoorbeeld met het corresponderende recht van het individu op zelfverminking, en de parallel wijst uit dat het door Dupuis geformuleerde zelfbeschikkingsrecht in de praktijk van suïcidale depressieven of psychiatrische patiënten neerkomt op een geïnstitutionaliseerd geraakte vorm van wegkijken en onverschilligheid.

Kun je de rijkdom aan preventiemethoden ter vermindering van het aantal verkeersdoden vergelijken met het tekort aan passende preventie bij zelfmoord? Wie achter het stuur gaat zitten, doet dit om van A naar B te gaan en niet omdat hij dood wil. In Loden last beweren psychiater Bram Bakker en journalist-schrijver Bram Hulzebos met zoveel woorden dat ook veel aspirant-zelfmoordenaars van A naar B willen. A staat voor de schijnbaar onoverkomelijke depressie, de persoonlijkheidsstoornis of het samenstel van levensproblemen, en B behelst de ontsnapping aan alles wat A representeert. Aspirant-zelfmoordenaars vinden die ontsnapping in de dood of liever gezegd: in het idee dood te zijn. Maar wil iedere aspirant-zelfmoordenaar inderdáád dood? Op grond van wetenschappelijk onderzoek door derden en op basis van eigen professionele ervaringen menen Bakker en Hulzebos dit laatste te mogen betwijfelen. Ze citeren in dat verband Rogi Wieg, die in de autobiografische roman Kameraad scheermes over zijn zelfmoordpogingen schreef. In een interview stelde Wieg: ,,De zelfmoordenaar wil niet dood, hij wil een ander leven.''

Die generalisering nemen Bakker en Hulzebos in Loden last niet volledig over, maar ze benadrukken wel dat een significant aantal aspirant-zelfmoordenaars de facto niet een eind wil maken aan hun leven, maar aan een bepaalde ondraaglijke geestesgesteldheid of een bepaalde toestand in hun leven. Bakker en Hulzebos menen dat er andere manieren dan zelfdoding bestaan om die ondraaglijkheid weg te nemen of te verminderen. Betere medicatie, bijvoorbeeld. Beter medisch toezicht, in het bijzonder betere noodopvang. En, nogmaals: betere preventie.

Bakker en Hulzebos zijn geen Prinzipienreiter, ook niet in verhulde vorm. Je kunt met Loden last in de hand – gelukkig – onmogelijk een betoog voeren voor herinvoering van zelfmoord in het Wetboek van Strafrecht. Zij beschouwen het plegen van zelfmoord niet als een immorele, laat staan een strafbare daad. Wel vinden zij het moreel kwestieus om uitsluitend een principieel libertair standpunt in te nemen tegenover andermans zelfbeschadigend gedrag dat negen van de tien keer ontspruit aan irrationele motieven, die uit de aard van de gekweldheid voorbij goed en kwaad zijn. Ze gaan uit van een praktische ethiek: verleen je iemand die om psychische redenen dood wil een dienst door ermee in te stemmen dat alleen de dood die psychische nood kan lenigen of door te proberen de ander van zelfmoord te weerhouden, in de verwachting of de hoop dat de psychische nood ooit minder of misschien zelfs verdwenen zal zijn?

Bakker en Hulzebos schrijven niet voor het eerst over zelfmoord. Bram Bakker publiceerde in 2003 het schotschrift Te gek om los te lopen, waarin hij een aantal misstanden in de psychiatrie aan de kaak stelde. Van Bram Hulzebos verscheen eerder de roman Een te dunne huid, over de zelfmoord van zijn vader. Voor beiden is Loden last om verschillende redenen een logisch vervolg op die twee boeken.

Hun nieuwe boek is een verzameling van dertien onderling zeer verschillende zelfmoordgeschiedenissen, aan de auteurs verteld door de nabestaanden. Er staan verhalen in over mensen die al jaren van de ene medische instelling naar de andere zijn versleept, maar ook over ogenschijnlijk zorgeloos levende jongeren of veertigers wier zelfmoord voor alle betrokkenen volstrekt onverwacht kwam. Een van de verhalen gaat over de twintiger Annemartien – de voornamen zijn soms fictief – die doodsangsten beleefde omdat haar drang tot zelfmoord haarzelf schrik aanjoeg. Nadat een psychose haar naar de treinrails had gedirigeerd, waren familie, artsen én de patiënte zelf het erover eens dat zij voor honderd procent in de gaten moest worden gehouden. Maar die honderd procent verpulverde in de kliniek al snel tot een veel minder stringent toezicht, waarna Annemartien alsnog en opnieuw een treinrails opzocht, nu met fatale gevolgen. Ook vertelt in Loden last een vrouw, moeder van twee pubers, over de volstrekt onverwachte zelfmoord van haar man, een modelvader bij wie niemand ooit enig spoor van een sluimerende doodswens had opgemerkt.

Juist omdat de achtergronden en bijzonderheden rond de dertien zelfmoorden in dit boek sterk uiteenlopen, zijn Bakker en Hulzebos voorzichtig in het formuleren van algemene conclusies. Wel wordt duidelijk dat zelfmoord zelden het onwankelbare en apotheotische eindpunt is van een gefnuikt mensenleven, maar veeleer een fataal moment in een keten van tragische gebeurtenissen, dat misschien niet fataal zou zijn geweest bij een aantal gewijzigde omstandigheden: toezicht door artsen, passende medicatie, betere externe preventie, een uitgebreidere consultatie van familieleden door psychiaters.

Bakker en Hulzebos verwijzen naar een documentaire uit 2002 over Beachy Head, een plek van enorme kliffen aan de kust van Engeland. Met gemiddeld zeventien geslaagde zelfmoorden per jaar is Beachy Head de plek op aarde waar zich de meeste zelfmoordpogingen voordoen. De overlevingskans is na een sprong praktisch nul. Toch overleefden wonder boven wonder drie mannen hun sprong van de rotskust. Alledrie bleken ze achteraf blij dat ze hun poging overleefd hadden. Eén van die drie, een man die na zijn sprong in een rolstoel terecht is gekomen, zegt over zijn poging in de documentaire: `It's not a trip to paradise, it's a way out of hell.'

Het is jammer dat Bakker en Hulzebos een enkele jaren geleden in de Volkskrant gepubliceerd artikel ongenoemd laten, gebaseerd op de uitkomsten van een sociaal-epidemiologisch onderzoek door Ella Arensman. Zij deed onderzoek naar mensen die een zelfmoordpoging deden en in hun opzet mislukten. Het bleek dat tachtig procent van hen uiteindelijk verheugd was dat de poging niet was geslaagd. Die uitkomst ondersteunt het pleidooi van Bakker en Hulzebos voor actievere en ingrijpender preventie. Sceptici zullen tegenwerpen dat in een onderzoek als door Arensman de controlegroep ontbreekt. Aan de pleger van een geslaagde zelfmoord valt niets meer na te vragen, nietwaar?

Uiteindelijk is, lijkt me, de medische, sociale en morele plicht tot preventie samen te vatten met het credo dat de Amerikaan Andrew Solomon, die zelf een periode van zware depressie en zelfmoorddrang overleefde, formuleerde in zijn standaardwerk The Noonday Demon: `Het is beter om te veel mensen te redden dan er te veel te laten gaan.'

Tegen het pleidooi van Bakker en Hulzebos is onder meer aangevoerd dat het bepleiten van actievere preventie onnodig krenkend is ten aanzien van nabestaanden van een zelfmoordenaar. Het benadrukken van het belang van preventie ondermijnt de pogingen van nabestaanden de zelfmoord en het zelfbeslissingsrecht van een verloren dierbare te accepteren. Maar uit de beschreven gevallen in Loden last blijkt juist dat het in de praktijk minstens zo kwellend is wanneer nabestaanden worden geconfronteerd met uitspraken die op het zelfbeschikkingsrecht wijzen van degenen die ze zijn verloren. Niets is zo vernederend, aldus enkele nabestaanden, als de wandtegelwijsheden in de trant van: `Je moet maar denken: het was zijn laatste wens' of `Het is echt beter zo.' Met zulke uitspraken worden nabestaanden op een fluwelen manier gedwongen zich te verzoenen met datgene waartegen zij juist vruchteloos – weerwerk hebben geboden. Wie een nabestaande van een zelfmoordenaar confronteert met de het-is-beter-zo-redenering, vraagt bovendien van diegene impliciet de instemming met andermans overtuiging dat diens leven niet de moeite waard was.

De nabestaande wordt gekweld door schuldgevoel, zelfverwijt maar ook het gevoel in de steek te zijn gelaten: heb ik wel genoeg gedaan om de zelfmoord te voorkomen; was het naakte feit dat ik óók besta voor de ander dan niet een reden om de zelfmoord na te laten? Bovendien: als het beter is dat de geliefde ander zichzelf heeft gedood, waarom zou jijzelf dan nog waarde aan het leven hechten? In deze vraag ligt de infectueuze werking besloten die van zelfmoord uit kan gaan.

Bakker en Hulzebos benadrukken in Loden last dat nabestaanden meer dan eens in de greep zijn van deze huiveringwekkende vraag, waarbij die vraag, wanneer een partner of ouder de suïcidant is en kinderen achterlaat, zich bovendien kan uitbreiden tot een vaak obsessieve angst dat een van de kinderen hun ouder kunnen navolgen. Net als aan bijvoorbeeld alcoholisme kleven aan doodsdrang bij depressie genetische aspecten. Dat de kans inderdaad niet denkbeeldig is, blijkt uit de statistieken: kinderen van wie een van de ouders zelfmoord heeft gepleegd, lopen zestien keer vaker dan gemiddeld het gevaar om eveneens te bezwijken aan zelfmoord.

Het is dit aspect dat wel tot de hardverscheurendste behoort in de overigens opmerkelijk lucide gesprekken met nabestaanden in Loden last. Geen van de nabestaanden die in het boek aan het woord komen, schreeuwt het uit of ventileert een reeks dreunende verwijten aan het adres van hulpverleners. Weloverwogen en geserreerd sommen de meesten onder hen op wat de blijvende en niet weg te retoucheren gevolgen zijn van de zelfmoord van hun dierbare. Het taboe uit de subtitel van dit boek verwijst niet uitsluitend naar de doodswens van de zelfmoordenaar, maar ook en vooral naar het meestal fenomenale isolement waar de nabestaanden in terechtkomen.

Vooral wanneer een zelfmoordenaar een gezin – partner, kinderen – achterlaat, blijken die nabestaanden door hun omgeving vaak te worden gemeden. Op een gezin dat is getroffen door zelfmoord rust in de beleving van derden doorgaans inderdaad een taboe. Van die mensen uit dat gezin moet je ver weg blijven. In Loden last memoreren sommige nabestaanden dat mensen snel hun huizen in schieten zodra zij zich op straat begeven, want: `Mensen weten niet wat ze tegen me moeten zeggen.' Anderen hebben voortdurend de indruk dat ze een besmettelijke ziekte met zich meedragen. Dat die uitsluiting niet berust op inbeelding blijkt uit een onderzoek uit 1990 van de wetenschappers Calhoun en Range waaruit bleek dat nabestaanden na zelfmoord veel meer druk voelden om uitleg te geven over de doodsoorzaak dan nabestaanden van iemand die een `natuurlijke' dood was gestorven. Twee andere onderzoekers, Wrobleski en McIntosh, vergeleken de nasleep onder nabestaanden bij natuurlijke sterfte en bij zelfdoding. Het bleek dat 37 procent van de groep zelfmoord-nabestaanden ontdekte dat mensen hen begonnen te mijden, 32 procent overkwam het dat mensen domweg deden alsof er niemand dood was gegaan, en 65 procent merkte dat anderen bij hoog en laag probeerden te vermijden over de door zelfmoord overledene te praten.

Het cliché luidt dat wie zichzelf de dood injaagt, een ander de rommel laat opruimen. Op het niveau van verwerking en bezwering blijkt dat de ergste rommel nooit valt op te ruimen. Gezinsleden en geliefden die worden geconfronteerd met zelfmoord, blijken voor het leven gestempeld. Veelzeggend is het verhaal van Jacqueline die op een ochtend haar man Jos op zolder aantrof, waar hij zich had verhangen. Jacqueline en Jos hadden twee kinderen, die volgens hun moeder voor het leven zijn getekend. Zij zegt erover: `In feite heeft Jos ons levenslang gegeven.'

Met het optekenen van die conclusie van Jacqueline raken de auteurs aan een bijkomend taboe: het taboe op postume kritiek op de zelfmoordenaar. Die kritiek wordt door buitenstaanders vaak als ongepast ervaren, maar vormt in de praktijk van de rouw een wezenlijk bestanddeel van het noodzakelijke verwerkingsproces én de al even noodzakelijke overlevingsstrategie. Voor de nabestaanden kan het bevrijdend zijn om bij gelegenheid te kunnen en mogen bedenken: de zelfmoordenaar die kinderen en familieleden ontredderd en vol zelfverwijten achterlaat, is niet uitsluitend een door ernstige depressiviteit gemarteld slachtoffer; het is soms óók iemand die nog in zijn meest penibele moment van levenswalg en doodswens ten prooi is aan egomanie en zelfobsessie. Voor de eigen ellende moet alles wijken, inclusief de kwaliteit van leven van nabestaanden. Die – vaak onoirbaar geachte – gedachte vormt niet het lichtste aspect van de loden last die nabestaanden levenslang met zich meedragen.

Bram Bakker en Bram Hulzebos: Loden last. Contact, 166 blz. €15,90