Wat bezielt de meester?

De Libris Literatuurprijs is de literaire onderscheiding met het meeste aanzien. Dus is er altijd veel gedoe over de genomineerde boeken. Dit jaar is dat meer dan terecht.

De literaire kalender telt tal van hoogtijdagen, van de Boekenweek in maart tot de toekenning van de Nobelprijs in oktober. Maar geen ervan leidt tot zoveel hartstochtelijk gemopper als de uitreiking van de Libris Literatuur Prijs. Je mag het bijna een traditie noemen: iedere lente komt de jaarlijks wisselende jury van de Librisprijs met een `shortlist' van zes kanshebbers op vijftigduizend euro, en vijf tot zeven weken later wordt de keuze gewogen en weggehoond door iedereen die niet in de jury zit. Nu eens luidt de kritiek dat bijna alle genomineerde boeken van dezelfde uitgever (hofleverancier Querido!) afkomstig zijn, dan weer dat de gekozen boeken een verwrongen beeld van de literaire productie van het voorgaande jaar geven. De ene keer zou de Librislijst de uitkomst zijn van vriendjespolitiek, de andere keer van onbeholpen compromissen binnen een sterk verdeelde jury. Maar hoe het ook zij, de gemoederen lopen hoger op dan bij het vergelijkbare AKO-circus in de herfst, ongetwijfeld omdat de Librisprijs, die in de huidige vorm sinds 1987 bestaat, het meeste aanzien heeft. Per slot van rekening kan voor de Librisprijs alleen fictie worden genomineerd; er hoeven dus geen appels met peren (lees: biografieën en essays met verhalen en romans) te worden vergeleken.

Ook dit jaar zijn de messen geslepen. Met recht, en extra scherp, want de keuze van de jury, bestaande uit de schrijvers Abdelkader Benali en Erik Spinoy, de critici Margot Dijkgraaf en Arie van den Berg, en de bioloog Ronald Plasterk, is op z'n zachtst gezegd controversieel. Niet omdat alle nominaties beneden de maat zijn; Buiten is het maandag van Bernlef, Een schitterend gebrek van Arthur Japin, Gran Café Boulevard van Tomas Lieske en Toen kwam moeder met een mes van Nicolien Mizee zijn allesbehalve slechte boeken. Maar vooral door de hoogtepunten die niet op de shortlist terecht zijn gekomen.

Wat zou het literaire jaar 2003 geweest zijn zonder slim gecomponeerde en perfect gestileerde noodlotstragedies als De nieuwe man van Thomas Rosenboom (scheepsbouwer gaat te gronde aan eigenwijsheid) en Wolfstonen van Herman Franke (kopers van dure appartementen worden weggepest door oude-wijkbewoners)? Wat zonder verrassende debuten als De laatste dagen van Arjan Visser (Tolstoj meets Louis Paul Boon), Zelf God worden van Hans den Hartog Jager (W.F. Hermans in de wereld van de moderne kunst) en Slaap! van Annelies Verbeke (Marek van der Jagt op z'n Vlaams)? Wat zonder Paravion, het moderne sprookje van 1001 nacht waarmee Hafid Bouazza zijn originaliteit bevestigde en de Gouden Uil Literatuurprijs won? En wat o wat zonder De asielzoeker, misschien wel de beste roman die Arnon Grunberg tot nu toe schreef? Een roman die zowel grappig als tragisch is, en die, als een van de weinige boeken van de jaargang 2003, kans maakt over vijftig jaar nóg gelezen te worden als het mooiste vroeg-twintigste-eeuwse voorbeeld van nihilisme-met-een-warm-kloppend-hart.

Toegegeven, de meeste van de hierboven genoemde titels stonden nog wel op de Libris-longlist, die eind januari gepubliceerd werd. Maar ze werden gepasseerd, net als – met iets meer reden – Schaduwkind van P.F. Thomése (geen fictie, maar een verslag van de dood van een baby) en De Movo Tapes van A.F.Th. (geen roman, maar een losdradige proloog bij een cyclus waar weinigen nog aan zullen beginnen). In hun plaats prijken nu – naast de romans van Bernlef, Japin, Lieske en Mizee – Blauwbaards ontwaken van H.C. ten Berge en Maïsroest van Rashid Novaire, twee boeken die zich al gelukkig mochten prijzen dat ze eerste selectie van achttien haalden.

De verleiding was groot om dit artikel te verpakken als een Open Brief, de opiniërende noodgreep die in de afgelopen maanden hét middel is geworden om ongenoegen te ventileren en autoriteiten aan de kaak te stellen. Een jury, zeker die van een toonaangevende literaire prijs, is net zo goed rekenschap verschuldigd als een burgemeester of een minister – zelfs al kan zij zich alleen verdedigen door middel van een juryrapport. Overigens is voorzitter Plasterk hard bezig aan die laatste beperking te morrelen. In een column in de Volkskrant van afgelopen vrijdag verdedigde hij zijn juryleden tegen aantijgingen van vooringenomenheid (Van den Berg zou Mizee op de lijst gezet hebben omdat hij haar les heeft gegeven op de schrijversvakschool, Dijkgraaf koos Novaire omdat zij hem als redacteur had bijgestaan). Daarnaast ging Plasterk in op het ontbreken van sommige grote namen bij de laatste zes. `Je kunt wel een kanon zijn', citeerde hij Rashid Novaire, `maar dat wil niet zeggen dat er altijd een kogel uitkomt.'

Blijkbaar was de jury, anders dan het merendeel van de Nederlandse recensenten, niet overtuigd van de kwaliteit van de voorlaatste Grunberg en Rosenboom. Maar in dat licht is het des te wonderlijker dat er helemaal geen debutanten op de shortlist staan; niet Visser, die nog wel meedong naar de AKO-prijs 2003, en niet Den Hartog Jager en Verbeke, die beiden onlangs door het jaarboek Magazijn werden uitgeroepen tot twee van de beste dertien jonge schrijvers van het afgelopen jaar. Verbeke was de enige Vlaming op de longlist, iets wat in het juryrapport wordt verdedigd door de opmerking `Het aanbod Vlaams proza was dit jaar beperkt.' Een uiting van kwade wil of stekeblindheid. Niet alleen waren er vorig jaar goede romans van Yves Petry, Peter Terrin en Dimitri Verhulst (alle drie eveneens in Magazijn), ook was er Erik Vlamincks juweeltje Angélique, dat in krap zestig zorgvuldig gestileerde bladzijden een onvergetelijk beeld geeft van een verwarde non én van België in de decennia na de dekolonisatie van Kongo.

Wat heeft de Libris-jury bezield om uit de stapel van 146 boeken (`een bijzonder goede literaire oogst') juist deze shortlist samen te stellen? Je kunt kiezen voor de makkelijkste verklaring en zeggen dat de lijst het gevolg is van een gebrek aan unanimiteit, van veto's en koehandel. Maar laten we het juryrapport er eens op nalezen. `Een van de belangrijkste functies van literatuur is dat ze een discussie over waarden aan de gang houdt,' luidt het slot van de inleiding. De jury heeft dat naar eigen zeggen `in praktijk proberen te brengen' – maar kennelijk kon ze weinig beginnen met de illusieloosheid van Grunberg, het cultuurpessimisme van Franke en het apolitieke engagement van Bouazza. `We hebben in onderlinge discussie afgetast welke normen we belangrijk vinden, en hoe ze gebruikt kunnen worden om de ingezonden boeken te toetsen.' De fictie van 2003 is dus geëxamineerd, in plaats van gewoon gelezen en al dan niet genoten. Ze moest voldoen aan – overigens verder niet gespecificeerde – `normen', en het is dus geen wonder dat er nogal wat boeken gezakt zijn. Achttien werden bevorderd met een taak, en zes zijn voorwaardelijk over. Slechts één wordt op 27 april in het Amstel Hotel uitgeroepen tot de beste van de `Class of 2003'.

Op basis van de superlatieven in het juryrapport zou je bijna denken dat de hoogste eer aanstaande dinsdag naar Blauwbaards ontwaken van de 65-jarige H.C. ten Berge gaat. De deels in Polen gesitueerde sleutelroman over de schrijver en salon-anarchist Edgar Moortgat wordt beschreven als een `meeslepende liefdesgeschiedenis' en een `proeve van stilistisch meesterschap'. Het lijkt alsof ik een ander boek gelezen heb. Het verhaal van de passie tussen Moortgat en zijn Poolse vriendin (of liever tussen Moortgat en alle andere willige vrouwen aan weerszijden van het IJzeren Gordijn) herinner ik me twee weken na lezing vooral als een aaneenschakeling van hitsige oude-mannenfantasieën, een bericht uit de wereld van vrouwen `heet als een hert in de herfst' en boezems als `twee weldoorvoede zeehonden'. Ten Berge toont zich bij vlagen een verteller, maar vermijdt de houterige beschrijving niet en verslikt zich in stijve dialogen vol didactische uitweidingen – wat ongetwijfeld samenhangt met zijn verlangen om de ideeënroman nieuw leven in te blazen. `In romans wordt te weinig of slecht gedacht,' zegt een van de personages. Veel ernstiger is dat er in romans vaak oninteressant of slecht wordt geschreven – en Ten Berge gaat in dat opzicht niet vrijuit.

Ten Berge is een oudgediende op de Librislijst. Het eerste deel van zijn nu voltooide Moortgat-trilogie, Het geheim van een opgewekt humeur, haalde in 1987 de selectie. Een van zijn concurrenten was toen, net als nu, Bernlef (toen nog J. Bernlef), die de allereerste Librisprijs (toen nog AKO-prijs) won met Publiek geheim. Bernlef is de lieveling van de Libris-jury's; sinds 1987 werd hij genomineerd met bijna al zijn proza: met Vallende ster in 1989, met Cellojaren in 1996, met Boy in 2001, en nu dus met Buiten is het maandag. Niet ten onrechte, want Bernlef schrijft goed gecomponeerde, verstilde boeken over mensen van vlees en bloed met problemen van alledag.

Buiten is het maandag is een roman die varieert op twee typische Bernlef-thema's: verlies en herinnering. In de eerste persoon enkelvoud vertelt de oude uitdrager (!) Stijn Bekkering over de dood van zijn vrouw bij een gezamenlijk auto-ongeluk waarvan hij zelf niets meer weet. Zijn pogingen om het brute einde van 45 jaar huwelijk te verwerken, lopen al snel over in de confrontatie met zijn zoon, die zijn gezin van de ene dag op de andere in de steek heeft gelaten en met een twintig jaar jongere vriendin in Canada blijkt te zitten. Bekkering haalt zijn zoon over om naar vrouw en kind terug te keren, en blijft zelf hangen in Nova Scotia. Daar voert hij gesprekken met een excentrieke kunstenaar en de ex-minnares van zijn zoon, en verzoent hij zich uiteindelijk met zijn lot.

`Zonder herinneringen kun je niet leven,' zegt Bekkering, en de ex-minnares zegt: `Passie laat geen herinneringen na, net als pijn.' Gebrek aan passie is een van de weinige manco's van Buiten is het maandag, dat in zijn geserreerdheid en stilistische eenvoud doet denken aan Bernlefs beroemdste roman Hersenschimmen. Groots en meeslepend is het niet, en ik vroeg mij af hoe er in het buitenland tegenaan zal worden gekeken. `Als dit vertaald wordt zal het een plaats in de wereldliteratuur kunnen vinden,' luidt het oordeel over alle zes nominaties in de inleiding van het juryrapport. Maar als je Buiten is het maandag in het Engels zou vertalen, heb je een verdienstelijk voorbeeld van (Not Too) Dirty Realism – een boek dat zou worden ondergesneeuwd door alle Amerikaanse klonen van Raymond Carver.

Spectaculairder en ambitieuzer zijn de genomineerde historische romans van Arthur Japin en Tomas Lieske (die in 2001 verrassend de Librisprijs won voor Franklin). In Gran Café Boulevard, dat door de Libris-jury wordt omschreven als een `meeslepend verhaal' met `onvergetelijke hoofdpersonages', vertelt Lieske het verhaal van twee kleurrijke figuren: de Baskische schoonheid Pili Eguren, die haar ouders verloor in de Spaanse Burgeroorlog, en de Hollandse polderjongen Taco Albronda, die zich na een carrière als fotograaf ontwikkelt tot een meesterzwendelaar onder de naam Alexander Rothweill. Hun door voetangels en klemmen bedreigde liefde voert van Bilbao via Parijs naar het Zuid-Hollandse grasland, en laat de lezer stilistisch alle hoeken van de kamer zien. Lieske gebruikt het genre van de schelmenroman en het decor van de beau monde in de jaren veertig voor een studie in liefde, familiebanden en verraad; en anders dan in Franklin doen zijn personages niet onwaarachtig aan. Daarbij is Lieske van alle Librisnominés degene die het meest met de taal doet; hij experimenteert met barokke zinswendingen en krachtige beelden, terwijl het eigenaardige idioom van de inboorlingen rondom de Wijde Aa zoete herinneringen oproept aan de creaties van Marten Toonder.

De vaart van het verhaal en het schrijfplezier dat Lieske etaleert, maken dat je de ongeloofwaardige plotwendingen door de vingers ziet. Gran Café Boulevard is nu eenmaal een groteske; wie een wat traditionelere historische roman wil lezen, pakke Een schitterend gebrek. Arthur Japin, auteur van de bestseller De zwarte met het witte hart (1997), nam een terloopse anekdote uit de memoires van Giacomo Casanova en werkte die uit tot een licht-filosofische roman over verraad en opoffering, waarheid en versluiering. Hoofdpersoon is Lucia, een meisje dat Casanova had kunnen behoeden voor een leven van dwangmatig veroveren, maar dat er na een aanval van pokken voor kiest om de Venetiaanse diplomaat in spe niet te belasten met haar afzichtelijke uiterlijk. Jaren later, wanneer zij haar voormalige geliefde vanachter een sluier in Amsterdam terugziet, laat ze zich door hem verleiden – zonder haar identiteit prijs te geven. En passant discussieert ze met Casanova over schoonheid, over eerlijkheid in de liefde en over schijn en werkelijkheid. `De waarheid bestaat namelijk niet alleen uit wat je ziet,' houdt ze zichzelf voor. En aan Casanova schrijft ze: `Oordeel nooit over een leven dat u niet zelf hebt geleefd.'

Een schitterend gebrek is een geslaagde historische roman, die zich – jawel, geachte leden van de jury – kan meten met de vele buitenlandse variaties op Casanova's Histoire de ma vie. Dat Japins concept niet bijster origineel is, wordt goedgemaakt door het vakmanschap waarmee hij het verhaal vertelt en zijn thema's uitspint. Japin schrijft mooie zinnen en is niet te betrappen op de onbeholpen dialogen of afgebeten alinea's die sommigen van zijn medenominés parten spelen. En dan doel ik niet alleen op Ten Berge, maar ook op Rashid Novaire, de token youngster van de Librislijst. Maïsroest, zijn tweede boek, is ook een historische roman – over een vroeg-twintigste-eeuwse journalist die de dood van zijn naar Bohemen gemigreerde broer probeert te reconstrueren – maar kan niet tippen aan Een schitterend gebrek of Gran Café Boulevard. De twee ontsporende broers weten niet te boeien, ook al is de ene een schilderachtige travestiet en de andere een roekeloze vrijbuiter. Novaire tovert af en toe een mooi beeld of een treffende zin tevoorschijn, maar het effect daarvan wordt tenietgedaan door zijn gekunstelde, kortademige stijl, die vooral in de eerste hoofdstukken van de roman iedere zin in een aparte alinea verandert.

Als de boeken van de Librislijst één ding gemeen hebben, dan is het dat de blik naar buiten is gericht. De Hollandse binnenkamer, die zo vaak de shortlists heeft gedomineerd, is verlaten; de romans spelen zich af in Polen, in Canada, in Spanje, in Italië, in Bohemen. Allemaal, behalve Toen kwam moeder met een mes van Nicolien Mizee – wat niet verwonderlijk is voor een boek dat te omschrijven valt als een neonaturalistische roman over een familie van `rare, zielige types'. Met aangenaam lichte toets boekstaaft Mizee het verleden en heden en van de neurotische Ida Servaas, die zelfs als bijna-dertiger nog zucht onder de tirannie van haar o zo beschaafde moeder. De absurde inkijkjes in het leven van de zelfverklaarde elite van Haarlem, met heur minachting voor gezelligheid, Puccini en anti-vliegengordijnen, worden afgewisseld met kurkdroge weergaves van de rampen die Ida's familieleden treffen. Ida zoekt vergeefs naar geluk, maar ze is tot ellende voorbestemd; zelfs als ze zich van haar familie lijkt te hebben losgemaakt, beseft ze dat `Moeder haar nooit met rust [zou] laten.'

Mizees moraal stemt somber, maar haar boek is vrolijk – vooral door de stekelig-komische toon die ook al zo'n verademing was in haar eerste roman, Voor God en de Sociale Dienst (2000). De jury prijst Toen kwam moeder met een mes om de `zoetzure humor, [...] zeldzaam in de stapel van 146 gelezen titels.' Inderdaad valt er bij de rest van de Librisprijskandidaten weinig te lachen; dat komt ervan als je Grunberg en Franke buitensluit. Maar het is ook geen reden om de vijftigduizend euro aan Mizee te geven. Daarvoor heeft haar tweede roman een te weinig afgerond verhaal en blijft ze te veel steken in krankzinnige anekdotes.

Maar wie gaat hem dan winnen, de elfde (of zo u wilt achttiende) Libris Literatuur Prijs? Als ik het juryrapport bestudeer, en de loftuitingen turf, krijg ik het gevoel dat het aanstaande dinsdag gaat tussen Ten Berges `meeslepende liefdesgeschiedenis' en Lieskes `verrukkelijke leeservaring'. Als ik op mijn eigen oordeel afga, moet de prijs terechtkomen bij het bravourestuk van Lieske of de meesterproef van Japin – al zou ik vrede hebben met winst voor Bernlef, de eeuwige abonnee van de Librislijst. Maar als ik naar de shortlist kijk, besef ik dat het naïef is om te denken dat je de uitslag kunt voorspellen. Van een jury die dit soort keuzes maakt, kun je de gekste dingen verwachten.

H.C. ten Berge: Blauwbaards ontwaken. Meulenhoff, 278 blz. €19,50.

Bernlef: Buiten is het maandag. Querido, 214 blz. €16,50.

Tomas Lieske: Gran Café Boulevard. Querido, 358 blz. €17,95.

Arthur Japin: Een schitterend gebrek. De Arbeiderspers, 240 blz. €17,95 (geb.).

Nicolien Mizee: Toen kwam moeder met een mes. Nijgh & Van Ditmar, 208 blz. €15,95. Rashid Novaire: Maïsroest. De Geus, 128 blz. €13,90.

Het juryrapport bij de Librisprijsnominaties is te lezen op www.libris.nl/librisprijs