Vragen over 11 maart blijven

Zes van de zeven veronderstelde zelfmoordterroristen van de aanslagen in Madrid zijn nu geïdentificeerd. De bende is volgens de autoriteiten opgerold. Toch heersen nog veel vragen rond de treinaanslagen in Madrid.

In de vroege ochtend van afgelopen maandag waren twee bewakers van het Zuiderkerkhof in Madrid getuigen van een macaber tafereel. Gealarmeerd door een vlammenschijnsel troffen ze in een van de zijlanen van de megabegraafplaats een brandende lijkkist aan met de grotendeels verkoolde resten. Het betrof het lichaam van Francisco Torronteras, inspecteur van een speciaal politiecommando. Torronteras was 3 maart jongstleden omgekomen bij de explosie in de voorstad Leganes die wordt toegeschreven aan zeven vermoedelijke zelfmoordterroristen betrokken bij de treinaanslagen van 11 maart in Madrid.

De kist met het lichaam van Torrenteras bevond zich – anoniem en nog zonder grafsteen – in de muren met de meer 150.000 graven op het kerkhof. De loodzware kist werd uit de metershoge nis getild en een paar honderd meter verderop naar een beschutte plek gesleept. De kist werd opengebroken, het lichaam werd verminkt en vervolgens vermoedelijk met benzine overgoten en in brand gestoken. Van de daders ontbreekt ieder spoor, de politie houdt rekening met een wraakactie van familieleden van de vermoedelijke zelfmoordterroristen, maar houdt alle opties open.

Anderhalve maand na de aanslagen zitten achttien verdachten achter de tralies, zijn er zeven vermoedelijke daders gedood, en loopt nog tegen drie verdachten een opsporingsbevel. De inmiddels vertrokken minister van Binnenlandse Zaken Ángel Acebes verklaarde vorige week dat de terreurbende van de elfde maart is uitgeschakeld. Eerder deze week werden nog twee van de zeven verdachten die bij de explosie in Leganes aan de hand van hun DNA geïdentificeerd. Eén lichaam is nog onbekend.

De lugubere lijkschennis van de politie-inspecteur heeft echter nieuwe vragen opgeroepen rond de ogenschijnlijk snelle actie van de Spaanse politie in het onderzoek en de vervolging de daders van de elfde maart. Uitgelekt onderzoeksmateriaal heeft de afgelopen weken geleid tot een lappendeken aan informatie over de samenstelling van de groep, of groepen die bij de aanslag betrokken zijn geweest. Daarbij bestaat zekerheid over twee zaken: Spanje heeft al bij de voorbereiding van de aanslagen van de elfde september 2001 in de Verenigde Staten een belangrijke rol gespeeld als vergaderbasis en Al-Qaeda beschikt er over een vaste infrastructuur van groepen en personen.

Over de directe verantwoordelijkheid voor de aanslagen van de elfde maart zijn de gegevens echter aanmerkelijk diffuser. Bij herhaling valt de naam van de Marokkaans-Islamitische Strijdgoepen van voormalige moslimstrijders in Bosnië en de terreurcel Ansar el-Islam, een samenvoeging van Al-Qaedacellen die vanuit het Midden-Oosten wordt gedirigeerd door medewekers van Osama bin Laden. De veronderstelde daders achter de aanslagen in Madrid worden in verband gebracht met de reeds in november 2001 gearresteerde Imad Eddin Barakat, alias Abu Dahdah, de hoofdverdachte in het Al-Qaeda-onderzoek in Spanje. Maar de precieze verbanden lijken nog te ontbreken.

Belangrijke hindernis in het onderzoek vormt de explosie in Leganes, waarbij alle zeven aanwezige verdachten omkwamen. Onder hen bevond zich de Tunesiër Sharhane ben Fakhet, die wellicht niet als het brein, maar wel als de hoofduitvoerder van de aanslagen wordt beschouwd. Nog steeds is geen antwoord gegeven waarom de politie de etage in Leganes binnenviel, waarna de verdachten zichzelf opbliezen. Die vraag is des te nijpender geworden nadat een lid van het ervaren overvalteam van inspecteur Torrenteras anoniem zijn beklag deed dat het standaardprotocol voor dit soort acties om onbegrijpelijke redenen met voeten was getreden. Zo werd niet gewacht op een onderhandelaar of een tolk in en poging de ingeslotenen te overreden.

Evenmin is eenduidig antwoord gegeven op de vraag waarom de inmiddels vertrokken regering onder leiding van ex-premier Aznar dagen lang bleef vasthouden aan de thesis dat de Baskische terreurgroep ETA achter de aanslagen zat, terwijl het bewijsmateriaal van het tegendeel zich opstapelde. Zoals in Spanje gebruikelijk doen hierover inmiddels een aantal complottheorieën de ronde in media die dicht bij de conservatieve partij staan. Daarin is zelfs gesuggereerd dat essentiële informatie door een harde kern van socialistische politie-agenten in het onderzoek vertraagd werd doorgegeven om zo de conservatieve regering op het verkeerde been te zetten. Het lijkt er echter eerder op dat de vertrokken premier Aznar in zijn strijd tegen de terreur zo geconcentreerd was op ETA, dat een alternatief nauwelijks serieus werd genomen. ETA als dader van de terreuraanslagen zou electoraal bovendien in het voordeel van de conservatieve partij hebben gewerkt.

Een andere onbeantwoorde vraag is de roof van 200 kilo springstof uit een mijn in het noorden van Spanje. Het verdwijnen van het materiaal was niet opgevallen of bij de politie aangegeven, hetgeen opmerkelijk mag heten in een land waar al decennia terreurbewegingen actief zijn. Ook over de mate van betrokkenheid van de verdachten die nu vastzitten in verband met de aanslagen