Schuimen tot steeds weer iemand anders

Er komt een punt in het leven waarop een mens niet langer kalm zijn bestaan van een veilige hoogte kan overzien: ineens breekt de borstwering, je tuimelt naar beneden en komt terecht in een baaierd van twijfels, misverstanden, angsten, begeertes, gissingen. Het is dit breekpunt waardoor de Italiaanse schrijver Sandro Veronesi, bepaald geen onbekende meer in Nederland, wordt gefascineerd. In zijn eerder bij ons uitgebrachte boeken, de debuutroman Waar gaat die vrolijke trein naartoe en het meesterwerk In de ban van mijn vader, is er sprake van een gebeurtenis die het leven van de hoofdpersonages plotseling onder stroom zet, waardoor verwarring hun deel wordt en zij hun afstandelijke attitude moeten opgeven.

In de in 1990 geschreven roman Gli sfiorati (letterlijk: zij die nauwelijks (aan)geraakt worden; ongetwijfeld een knipoog naar Moravia's existentialistische generatieportret Gli indifferenti), nu vertaald onder de titel Nauwelijks aangeraakt, treffen we ook zo'n gebeurtenis aan. Die heeft plaats wanneer Mète, de held van het verhaal, door zijn vader wordt gevraagd zijn zeventienjarige halfzus Belinda tijdelijk onder zijn hoede te nemen omdat pappa en Belinda's moeder een huwelijksreis ondernemen. Dat onschuldige verzoekje veroorzaakt niets minder dan de Umnachtung van de twintiger Mète, `een serieuze, leergierige jongen', een asceet die iedere uitnodiging tot converseren met afgrijzen ontvlucht en bij voorkeur zijn dagen doorbrengt in het Criminologisch Museum.

Nu de dromerige, onverschillige en passief-wellustige Belinda tijdelijk in Mètes huis komt wonen raakt zijn verstand verduisterd, slechts een donker schouwen naar de afgrondelijke pracht van zijn halfzusje is hem nog vergund, tot het onvermijdelijke moment dat hij zich niet langer kan beheersen en zich aan haar zal vergrijpen. Zijn evenwicht raakt volkomen ontwricht en net als de kinderboekenschrijver van In de ban van mijn vader wordt hij een speelbal van een geheimzinnige `ander', meegesleurd naar ondoorgrondelijke bestemmingen en noodlottige inzichten.

Cocon

Aanvankelijk slaagt Mète erin afstand te bewaren van het onheil dat in zijn huis op hem wacht door eindeloze dwaaltochten te ondernemen in Rome, de `beau monde van nietsnutten, rijkaards en kunstenaars' af te stropen met zijn levenslustige, rokkenjagende vriend Damiano of met de zwijgzame acteur Bruno het `barbaarse' Rome van de travestieten en de criminelen te verkennen. Langzaam maar onontkoombaar wordt hij echter toe gezogen naar dat in een cocon van leer ingebedde `geheel van heuvelachtige, zoete rondingen, schouders, heupen, enkelknobbels en sproeten, dat lui over zijn bed verspreid lag.' Vervolgens neemt hij zijn toevlucht tot de vele jointjes die zijn aanbiddelijke halfzusje met `koele, mysterieuze vingers' prepareert en weet zo tijdelijk zijn fnuikende begeerte te onderdrukken. `Onder invloed van de marihuana voelde Mète zich eindelijk normaal tegenover haar. [...] Dezelfde schoonheid die hem vroeger kwelde met de smeekbede bezeten te worden, vervulde hem nu met trots, omdat hij er zich van bewust was dat hij haar al bezat; en hetzelfde bloed dat hij zo vaak had vervloekt omdat het in hun beider aderen stroomde, werd nu door hem gezegend.' Hij voelt zich bevrijd, een nobele broer, maar zodra hij ontwaakt uit zijn roes is er `geen lichtheid meer in hem, geen schittering [...] maar de andere Mète, die alleen maar kon studeren, oordelen, en zichzelf kwellen met zijn tegennatuurlijke hartstocht.'

Voor Mète is Belinda niet zomaar een lekker ding dat de snoeplust opwekt. Als grafologisch deskundige heeft hij ontdekt dat Belinda's handschrift het prototype is van een nieuw grafologisch kenmerk, dat alleen voorkomt bij jongelui onder de twintig die volgens hem genetisch een beetje anders in elkaar zitten, vertegenwoordigers als zij zijn van een radicaal veranderde, hachelijke en wankele wereld. Dit kenmerk nu correspondeert met een bepaald concept, dat Mète `schuimvalligheid' noemt, `een soort legering' van oppervlakkigheid, wispelturigheid, lichtzinnigheid, lamlendigheid, onverantwoordelijkheid en verstrooidheid, `hetzelfde concept dat wiskundigen [...] bestuderen om door te dringen in het mysterie van de chaos.' De personen die dit concept belichamen `schuimen tot steeds verschillende vormen en gedragingen', vervluchtigen onophoudelijk. Belinda is de onbetwiste koningin van deze sfiorati, deze `menigte blije schepsels die elke nacht de stad afschuimen, om haar uit te buiten [...] met als enig doel zich te vermaken.'

Wat de naar kennis dorstende Mète vooral zo aantrekt in Belinda is haar sublieme onwetendheid en gedachteloosheid, wat een verlangen is naar `een tijd waarin de dingen misschien vanzelf gebeurden, [...] waar je misschien kon ophouden met denken.' Die benijdenswaardige eigenschappen probeert Mète zich eigen te maken door het mysterie ten slotte letterlijk binnen te dringen: door geslachtsgemeenschap met zijn halfzus te hebben. Hij moet echter radeloos vaststellen dat Belinda bezitten hetzelfde is als het omhelzen van de leegte. Hij strijkt slechts langs haar, zij blijft onkwetsbaar, en hij blijft verweesd achter, een wezen uit de prehistorie, toen men nog `ik hou van je' kon zeggen en de dingen bij de naam wilde noemen.

Morsig

Is Belinda niet zomaar een begerenswaardig meisje, Nauwelijks geraakt is evenmin zomaar een fatale liefdesgeschiedenis. Behalve een portret van de generatie jongelingen van eind jaren tachtig en een ode aan een morsig Rome is het ook nog eens een soms duizelingwekkend spel van literaire vormen en associaties. De lezer krijgt niet alleen te maken met de troebele zielenroerselen van Mète, maar wordt tevens getrakteerd op een hoofdstuk over een busritje dat een aantal doden naar zee maakt en op korte verhandelingen over de fysionomie van Romeinse woningen en van `de meest deerniswekkende diersoorten van de schepping'. Verrassend zijn ook de titels van de talloze hoofdstukjes: `Wie was er aan de telefoon?', `Beeldenreeks uitlopend op Gebeurtenis', `Zo ging het niet, zo ging het echt niet', `De glimlachziekte'. Die titels verraden al de enigszins baldadige houding waarmee Veronesi ditmaal zijn materiaal vormgeeft, wat ook tot uiting komt in het ondeugend inconsequente vertelperspectief. Nu en dan beginnen de hoofdstukken met een oproep tot medeplichtigheid van de lezer, bijvoorbeeld: `Laten we de belagersactiviteiten van Mète eens bekijken'. Op zulke momenten lijkt de verteller een wetenschapper die de personages onderzoekt en gadeslaat, alsof het verhaal een laboratorium is en de verhaalelementen niet meer dan bepaalde stoffen waarmee experimenten worden uitgevoerd. Op andere momenten daarentegen spreekt hij zijn held vermanend toe of rapporteert hij juist van binnenuit, vanonder de huid van Mète. Dergelijke vertelstrategieën scheppen vervreemding en daardoor afstand. Als gevolg daarvan is Nauwelijks geraakt minder beklemmend dan In de ban van mijn vader.

Opnieuw bewijst Veronesi echter ontegenzeggelijk dat hij een virtuoos is. Misschien wil hij dat in deze sierlijk zigzaggende vertelling iets te graag demonstreren. Zo hevig als Mète zich probeert te beheersen, zo buitenissig gaat zijn bedenker tekeer. Soms houdt hij daarbij (opzettelijk?) onvoldoende het doelwit in het oog, verrukt als hij lijkt door het wellustige spannen van de boog en de zwierige banen van de pijlen die door de lucht buitelen en allerlei thema's schampen zonder er echt in door te dringen. Geheel in de geest van de sfiorati dus, die tantaliserend ongrijpbaar blijven door nergens bij stil te houden en op superieure wijze langs de dingen te strijken.

Sandro Veronesi: Nauwelijks geraakt. Vertaald door Rob Gerritsen. Bert Bakker, 300 blz. €18,95