Lange leve de suikerbiet

Botanische topografie was nog een jonge wetenschap. Daarom verrichtte de Tsjechische schrijver Karel Capek enig vooronderzoek in Het jaar van de tuinier. Hij onderscheidde onder meer stationsflora, met als subcategorie wilde spoorwegflora, restaurantflora, begraafplaatsflora, slagerijflora en kantoorvegetatie – met name belastingkantoren vond hij `volslagen woestijnen'.

Capek was een hartstochtelijk tuinier, die het komische van zijn eigen bevlogenheid inzag. In zijn boek vertelt hij hoe de winterse kou zijn arme tuin kwelt. `Als ik zou weten dat het hielp, dan zou ik de hulst met mijn eigen jas omwikkelen en de jeneverstruik in mijn pantalon hullen.' In andere maanden zie je hem in gevecht met de tuinslang, in tranen bij de eerste prille blaadjes en tijdens zijn vakantie vertrouwt hij met de grootste moeite de tuin toe aan de zorg van een vriend. Spot is een kruid dat het goed doet in Capeks tuin, overigens gewoon een stadstuin. Hij ridiculiseerde de romantiek die bij tuinieren hoort. Daarom bezong hij niet de rozen maar de suikerbiet, `de meest verachte pracht van de herfst'. En hij stak de draak met tuinboeken, omdat ze grossieren in `honderden voorschriften die elkaar volledig tegenspreken'.

Het jaar van de tuinier is dus alles behalve een standaard tuinboek, zoals geen enkel boek in de mooi uitgegeven serie `tuinliteratuur' van uitgeverij Gianotten. Capek kun je lezen zonder dat je ooit een bloembol in de grond hebt gestopt. Deze tuinier was getikt in zijn bevlogen verrukking. Juist zijn gekte maakte hem charmant. En maakte hem tot een kenner. Want door zijn blikvernauwing ontdekte hij eindeloos veel, een schitterende reeks namen bijvoorbeeld, zoals toverhazelaar, reigersbek, vlasleeuwenbek, hokjespeul en steenbreek. Capek hield met zijn boek een pleidooi voor passie. Ook in andere opzichten stond de tuinier voor een levenshouding die Capek wel beviel. Zijn tuinier wroet en zoekt en spit en wiedt met oog voor detail en uniciteit. Die voorliefde voor het concrete en individuele valt te begrijpen. Capek (1890-1938) behoorde tot de prominente antifascisten van zijn land. In zijn wereldberoemde satirische toneelstuk RUR (`robot', een woord dat hij als eerste gebruikte) zette hij zich af tegen de ontmenselijkende kanten van het kapitalisme, het fascisme en het communisme. Het verhaal wil dat de Zweedse Academie hem in 1936 niet de Nobelprijs toekende om Hitler niet voor het hoofd te stoten.

Na het lezen van Capek kijk je met andere ogen naar een tuin en zijn bezitter. Zijn gemoraliseer is hier en daar wat opzichtig (`Een tuin is nooit klaar en lijkt in dat opzicht op de wereld en alles wat de mens onderneemt'), maar dat is als nietig onkruid in een fraaie omgeving. Zo beschreef Capek op geestige wijze wat onthaasten is, toen dat woord nog niet bestond. Een Amerikaanse miljardair vroeg een Engelse edelman wat hij moest doen om een mooi Engels gazon te krijgen. Diens komisch advies, dat een bladzijde duurt, eindigt eenvoudig: `Wanneer u dat driehonderd jaar lang doet, hebt u een gazon dat even fraai is als het mijne.'

Karel Capek: Het jaar van de tuinier. Vertaald door Annemarie Vervoordeldonk. Met een voorwoord door Paul Geerts. Gianotten, 158 blz. €18,50