Jaloers op die duif

Gerco de Ruijter hangt zijn camera aan een vlieger en fotografeert het Hollandse landschap. ,,Dat ik zelf nooit door de zoeker kijk, is juist mijn grote voordeel.''

De oude dorpskern van Overschie met zijn lage huisjes en vriendelijke straatjes ligt ingeklemd tussen de snelwegen bij Rotterdam. ,,Maar in het noorden, over de Schie, daar heb je de weides van het Delfland en de Ackerdijkse plassen. Bij mooi weer kan ik de gier van de boeren ruiken en zo heb ik hier thuis toch nog een beetje contact met het weiland.''

Gerco de Ruijter (42) fotografeert het Hollandse landschap uit de lucht, met een camera aan een vlieger. Al kan hij niet door de zoeker kijken en ziet hij niet wat hij fotografeert, hij is geen blinde fotograaf. Na elf jaar vliegeren weet hij wel zo'n beetje waar de camera hangt en wat die opneemt. Hij weet dat een bollenveld er van bovenaf valer uitziet dan uit de trein – niet als een egaal geel vlak, maar als losse gele punten tussen het bruin van de aarde. Hij weet ook wat hij ongeveer kan verwachten als de camera op 40 meter hoogte hangt of op 80 meter en wanneer hij de vlieger moet laten vieren of juist inhalen. Maar dat er in een uitloper van een slenk in de Grevelingen een bootje voer, dat zag hij pas toen hij de foto ontwikkelde. En ook de spiegeling van de zon op een natte akker kon hij niet vermoeden.

Gerco de Ruijter kiest meestal voor het vlakke Zuid-Hollandse of Zeeuwse landschap. Hij is, zegt hij, `echt iemand van de polder': ,,Weilanden, koeien, prikkeldraaad, met lange benen over hekken stappen, de horizon zien – daar houd ik van. De Nederlandse groene lappendeken is perfect voor wat ik doe omdat het landschap hier zo ingedeeld en afgerasterd is. Niet alleen het boerenland, zelfs de natuur is geordend, overal zie je hekjes en slootjes. Dat levert een gevarieerd patroon op en dat geeft mij talloze keuzemogelijkheden. Als ik met mijn vlieger en camera op pad ben en honderd meter naar rechts loop, dan heb ik een totaal ander beeld. De laatste tijd heb ik veel bij de Grevelingen gefotografeerd, tussen Goeree en Schouwen-Duiveland. Er staat daar ergens een hek. Aan de ene kant grazen oerrunderen, aan de andere kant niet, daar mogen mensen wandelen. Zulke scheidingen vind ik interessant omdat de begroeiing aan weerszijden vaak volkomen verschillend is. Ja, ik loop speurend door het landschap, op zoek naar dat soort scheidingen. Ze zorgen voor vreemde contrasten, voor verrassingen in het beeld.''

Er wordt hem weleens gevraagd: waarom ga je niet met een ballon omhoog, dan kun je zelf bepalen wat je fotografeert. Maar dat wil hij niet: ,,Dat ik zelf nooit door de zoeker kijk, is juist mijn grote voordeel. Ik stel mezelf graag voor verrassingen en daarom laat ik bewust het toeval een rol spelen. Niet bij de uiteindelijke selectie van de foto's, dan ben ik heel streng op compositie en techniek. Maar het gebeurt regelmatig dat ik denk: verrek, dat dat in het beeld zit, dat had ik nooit verwacht. Als je in de Grevelingen staat, zie je overal water in kreken, geulen en plassen. Maar van boven zie je donkere vlekken – de dieptes in het water – en die zorgen voor onverwachte patronen. Ik laat me natuurlijk niet helemaal door het toeval leiden. Vaak ga ik naar dezelfde plek terug omdat ik nog niet tevreden ben. En ik rijd eindeloos rond, op zoek naar plaatsen waarvan ik denk: hier kan ik iets mee. Die kies ik zorgvuldig uit.''

Hij noemt de Waddenzee `een dynamisch gebied' waarvan hij vermoedt `dat er interessante beelden te maken zijn'. Maar als ik de Veluwe opper, kijkt hij bedenkelijk. Dennenbossen en heidevelden spreken hem niet aan: ,,Zo'n dennenbos verandert nauwelijks. En hoe krijg ik tussen al die bomen mijn vlieger de lucht in? Ik ben ook niet op zoek naar pittoreske plekken, die heb ik niet nodig om een esthetische foto te maken. De grensgebieden tussen natuur- en cultuurlandschap zijn voor mij interessanter.''

Populierenaanplant

Het atelier, beneden in zijn huis in Overschie, is klein, keurig en overzichtelijk. Een lavendelblauwe piano, een tafel, bureau, computer en vakken vol cd-roms. Aan de muur de foto die op de omslag staat van zijn boek dat vandaag verschijnt. Het is het eerste fotoboek van Gerco de Ruijter. De omslag toont loodrecht van boven gefotografeerde rijen lichtgroene struiken op een mossige grond – althans zo lijkt het. Doordat alleen de struiken, het mos en de aarde te zien zijn en nergens een hek, sloot, schaap of ander ijkpunt, geeft de foto weinig houvast en kun je alleen maar gissen naar de schaal. Het blijkt een populierenaanplant te zijn, gefotografeerd toen de camera zo'n twintig meter boven de boomtoppen hing. En wat ik voor mos aanzag zijn in werkelijkheid manshoge, wuivende brandnetels.

De Ruijter: ,,Deze foto heeft geen hoofdonderwerp, er is geen voor- of achtergrond, alles in het vlak is even belangrijk. Dat beviel me.'' Hij vertelt dat hij het boek bij de presentatie wil aanbieden aan K. Schippers, die zijn laatste essaybundel De vliegende camera noemde. Op de kaft van die bundel staat een duif afgebeeld die een vederlicht fototoestelletje op zijn borst draagt. Schippers beschrijft hoe deze Duitse postduif in 1912 uitvloog met zijn omgegorde cameraatje. Tijdens de vlucht werd de sluiter automatisch een keer of dertig geopend. Een van de foto's die de duif maakte was het Gezicht op Mühldorf, met op de voorgrond enkele huizen, daarachter heuvels en de horizon. Maar de duif fotografeerde hierbij ook zichzelf: links en rechts in het beeld zijn de uiteinden van zijn vliegende vleugels te zien.

Gerco de Ruijter: ,,Ik kende die foto al. Ja, ik ben jaloers op die duif.'' Hij vertelt hoe hij als kind al een verwoed vliegeraar was. Zijn familie had een tenthuisje bij het strand van Bakkum, waar hij in de zomer vaak heenging. ,,Daar werd altijd gevliegerd, ik herinner me mannen met enorme klossen touw die hun vlieger wel drie kilometer oplieten. Als die klos leeg was, was de vlieger weg.'' Met zijn vader, die biologieleraar was, ging hij mee de weilanden in: ,,Hij had een schuiltentje dat hij opzette om vogels te filmen. Hij heeft een mooi grutto-filmpje gemaakt. Gruttokuikens leven een paar maanden tussen het hoge gras, ze zien niks, alleen maar sprieten. En dan ineens gaan ze vliegen en kunnen ze alles zien. Koos van Zomeren heeft dat plotselinge opstijgen van de grutto beschreven en toen ik dat las, dacht ik: dat is de ultieme gewaarwording van het vliegen.''

Op de middelbare school was hij lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie en trok hij naar buiten om planten te onderzoeken. Maar hij had geen zin om biologie te gaan studeren, zoals zijn vader wilde. Omdat hij al veel fotografeerde ging hij naar de School voor Fotografie in Den Haag. De Ruijter: ,,Dat was toen, in de jaren tachtig, een saaie, technische opleiding. Fotografie deed je voor kranten of tijdschriften, dat was nog bijna een dienend beroep. Ik had een vriendin op de Rietveld die schilderde en tekende en dat wilde ik ook. Ik wilde mezelf uiten op papier. En als schilder was je autonoom, kon je alles zelf bepalen. Daarom deed ik de avondopleiding aan de Rotterdamse kunstacademie. Ik maakte amorfe schilderijen die ik al werkend steeds een slag draaide. Ze waren abstract, heftig van kleur. Maar ik vond dat ze in hun abstractie toch herleidbaar moesten zijn tot de zichtbare werkelijkheid, dat ze een onderwerp moesten hebben, een oorsprong.''

In die tijd, omstreeks 1990, woonde hij in een gekraakte boerderij tussen Delft en Rotterdam. Net als in zijn jeugd ging hij daar weer vliegeren: ,,Dan ging ik in het weiland liggen, los van alles, het touw in mijn hand. Ik las toen ook het boekje Fotograferende vliegers, geschreven door een paar jongens die in Den Haag de vliegerwinkel `Vlieger Op' hadden. Dat boekje bracht me op het idee om uit de lucht de structuren van het platteland te fotograferen. Ik had al snel in de gaten dat ik die luchtfoto's als onderwerp voor mijn vrije werk kon gebruiken. Ik maakte er aquatinten, litho's en schilderijen van. Op een goed moment liet ik mijn foto's op de academie aan een gastdocent zien. Die zei: `Stop toch met schilderen, laat het alleen die foto's zijn.' Die raad heb ik opgevolgd. Ik schilder nooit meer. Ik moet er ook niet aan denken om altijd binnen in mijn atelier te zitten. Van de week liep ik met mijn vlieger en mijn camera door een prachtig natuurgebied en ik dacht: ik heb het mooiste vak wat er is. Het echte landschapsschilderen is ook zo begonnen: die oude knakkers trokken met hun ezel naar buiten. Nee, dat zie je nu niet meer.''

In het begin hing hij een wegwerpcameraatje onder de vlieger. Op de camera was een eierwekker gemonteerd die de afdrukknop bediende. De afgelopen tien jaar experimenteerde hij met verschillende camera's, met intervaltimers en met elektronische afstandsbediening zodat hij zelf het moment van de opname kon bepalen. Ook de bevestiging van de camera aan het touw onder de vlieger werd technisch steeds perfecter: een ingenieus aluminiumframe zorgt dat hij niet bungelt, maar stil in de lucht hangt.

Zeilboten

In het boek van Gerco de Ruijter – net als zijn foto's heeft het geen titel, op de rug staat alleen zijn naam vermeld – zijn enkele van zijn allereerste luchtopnames afgedrukt. Het zijn kleine, vierkante zwart-wit foto's waarin hij een gebeurtenis in het landschap vastlegde. Twee varende zeilboten of een zwaan die over een weide scheert. Later werd het formaat groter – 80 bij 80, of 80 bij 200 cm – en verdween de anekdotiek omdat hij zag dat zijn foto's dat niet nodig hadden. Hij vertelt hoe hij aan Mondriaan moest denken toen hij met zijn vliegerfoto's begon: ,,Ik ken dat duin bij Domburg waarop Mondriaan stond toen hij zijn abstracte plus-min schilderijen maakte. Als je op dat duin staat, heb je een soort vogelperspectief en dan kun je je de slag die Mondriaan daar maakte, met dat loslaten van de horizon, wel voorstellen. Mensen denken vaak aan Mondriaan als ze opstijgen van Schiphol en het polderlandschap met al die rechte sloten zien. Maar dat is niet mijn benadering. Als je die slootjesstructuur ziet, ben je al te ver weg, dan is het landschap een geheel abstract patroon geworden. Ik wil het dichterbij houden, zodat je jezelf er nog in kan plaatsen.''

Toch is bij zijn vierkante, bijna perspectiefloze kleurenfoto's niet altijd te zien wat ze voorstellen. Een afbeelding van drie grijze strepen in een pappig bruin roept eerder associaties op met een schilderij van Antoni Tápies dan met een verregend polderlandschap. Ook de foto van een witbesneeuwde zandbank in donker water doet op het eerste gezicht denken aan een abstract schilderij waar de verf in dikke vegen op ligt. En wie kan verzinnen dat al die putjes in het wit de afdrukken zijn van een vlucht ganzen die kort voordat de foto werd genomen, neerstreek in de sneeuw en weer verder vloog? De Ruijter: ,,Door die ganzensporen krijg je ineens een idee van de dimensies en wordt de foto leesbaar. Maar dit soort achtergrondinformatie geef ik alleen als iemand erom vraagt. Ik heb gemerkt dat mensen verschillend naar mijn foto's kijken: een archeoloog ziet iets heel anders dan een vogelaar.''

Omdat hij zich `weer wilde laten verrassen', werkt de Ruijter sinds anderhalf jaar behalve met een gewone camera ook met een panoramacamera, die een hoek van 120 graden beschrijft. ,,Het vierkante vlak dat ik loodrecht van boven fotografeerde, kon ik vaak al wel invullen. Bij de panoramacamera is de hoek zo groot dat er links en rechts een idee van verdwijnpunten ontstaat en dat zorgt voor onverwachte elementen.''

De liggende foto's, van zo'n 80 bij 200 cm, die hij nu exposeert bij de MKgalerie in Rotterdam, zijn allemaal met de panoramacamera genomen. De meeste in Nederland, maar ook een paar in de woestijn van New Mexico, in het zuiden van de Verenigde Staten, waar hij vorig jaar `min of meer toevallig' terechtkwam. ,,Er ging daar een wereld voor me open aan nieuwe landschappen. In Nederland is het landschap permanent in ontwikkeling. De tweede Maasvlakte komt er nu aan, dus ik zie in mijn leven nog niet gebeuren dat ik erop uitgekeken raak. Een woestijn blijft altijd woestijn. Maar het was een openbaring voor me hoe je daar met de camera de geschiedenis van het landschap, de diepte, de oudheid inkijkt, van de ene aardlaag op de andere. Er is nauwelijks begroeiing, je ziet overal vormen van erosie, door de wind of door water, en alles wat je ziet gaat mijlenver door.''

Zijn bezoek aan New Mexico leverde hem niet alleen een tentoonstelling op – volgend jaar in Santa Fé – maar waarschijnlijk ook een wonderlijke opdracht: ,,Er is daar in de woestijn een militaire basis, White Sands, waar de eerste proeven met atoombommen werden gedaan. Elk jaar komen er busladingen Japanners om de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki te herdenken. De militairen willen mij het terrein van White Sands laten fotograferen. Dit jaar hoor ik of het doorgaat, eerst moet mijn verleden worden doorgelicht. Aan de ene kant heb ik mijn bedenkingen tegen dat militaire gedoe, maar aan de andere kant vind ik het een poëtisch beeld dat ik in dat luchtruim, dat doorkliefd is geweest door kruisraketten en atoombommen, mijn vlieger oplaat.''

Teletekst

Gerco de Ruijter trekt er het liefst alleen op uit met zijn vlieger en camera. Ik mag niet mee, want `dat leidt maar af'. Voor hij weggaat kijkt hij altijd eerst op teletekst bij het weerbericht voor het vliegverkeer naar de windvoorspellingen: ,,Het moet waaien, windkracht drie of vier is het beste. En het mag niet regenen. Soms heb ik zon nodig en soms bewolking, afhankelijk van de plek die ik wil fotograferen. Bewolking geeft mooie, verzadigde kleuren, bij zonlicht bleken ze uit en krijg je een schittering in het water. Al vliegerend let ik goed op de kleuren zodat ik ze op de foto's natuurgetrouw kan weergeven. Op de computer ben ik ze eindeloos aan het corrigeren. In de woestijn had ik een foto gemaakt van een rode, droge rivierbedding en ik aarzelde over het rood. Eigenlijk zou ik zakjes aarde moeten bewaren, maar zover wil ik niet gaan.''

Bij weinig wind zet hij zijn grootste vlieger in, van zeven vierkante meter, maar meestal lukt het om met een vlieger van twee bij anderhalve meter de camera de lucht in te trekken. Als hij eenmaal op pad is, wandelt hij een uur of vier, vaak dwars door de weilanden, en legt hij al snel zo'n vijftien kilometer af. Hij heeft gemerkt dat een man met een vlieger weinig agressie oproept. Er is weleens een boer die dreigt `dat ding' uit de lucht te schieten, maar doorgaans laten ze hem met rust.

Terwijl zijn camera omlaag kijkt, kijkt hij zelf meestal omhoog, de lucht in. Een keer heeft hij wat daar te zien is in beeld gebracht, in het filmpje Skyline (1996). ,,Omdat het niet altijd goed vliegerweer is, ga ik ook weleens met een filmcamera in het gras liggen. In Skyline filmde ik vliegtuigsporen, hoe die ineens tevoorschijn komen, verwaaien, oplossen, al die vluchtige vormen. Ik vind dit nog steeds een goed filmpje, maar het was een incident. Aan een film moet een strak omlijnd idee ten grondslag liggen, of een goed verhaal, anders moet je er niet aan beginnen. Ik verbaas me over al die video's die kop noch staart hebben en maar voort modderen.''

Voor hij me meeneemt naar zijn expositie in de MKgalerie bladeren we door het boek. Bij enkele bedrieglijke foto's, die ik ook na lang turen niet thuis kan brengen, geeft hij uitleg. Een strak patroon van blauwe, groene en bruine strepen blijken rijen fruitboompjes in de smeltende sneeuw. De zeekraal in de Grevelingen geeft in de nazomer dat wazig rode vlak, dat vervloeit met het groen van het water. En nee, die oranje zandverstuiving is niet genomen in de woestijn, maar bij een overslag van ijzererts op de Maasvlakte.

Dan wijst hij me op een foto van een spruitjesveld waarin `iets vreemds gebeurt'. In het groene spruitjestapijt zit een grote lichtvlek. ,,Dat heet een `glorie'. Als je op een dijk staat, met de zon recht achter je en je kijkt naar de schaduw van je hoofd, dan zie je daar een lichtkrans omheen, een soort aura. Die lichtvlek in het spruitjesveld is de aura van de camera. De schaduw van de camera, die er middenin zit, kun je niet zien, omdat die te klein is. Maar daar, linksboven, dat donkere vlekje, dat is de schaduw van de vlieger.''

`Gerco de Ruijter, Fotowerken', MKgalerie, Witte de Withstr. 53, Rotterdam t/m 2 mei, wo-zo 13-18 u. Inl. www.mkgalerie.nl. Het fotoboek verschijnt bij Basalt Publishers en kost €29,50. Morgenmiddag (16 u) wordt het gepresenteerd bij boekhandel v/h Van Gennep, Oude Binnenweg 129 in Rotterdam.

`Ik laat me natuurlijk niet

helemaal door het toeval leiden'

`Door die ganzensporen

krijg je een idee van dimensies'