Hij bedoelt het niet kwaad

Geen Amerikaanse president heeft de woorden goed en kwaad zo vaak in de mond genomen als George W. Bush, maar hoe consistent is zijn ethiek? De Australische filosoof Peter Singer legt zijn redevoeringen onder de loep.

In de politiek gaat het niet om wie gelijk heeft, maar om wie gelijk krijgt. De waarheid is voor een politicus dus vooral van belang wanneer die hem of haar helpt de politieke strijd te winnen. Dit staat los van het morele oordeel dat de geschiedenis uiteindelijk zal vellen over het gedrag van de politicus. George W. Bush is zich daarvan terdege bewust, zoals ook blijkt uit het jongste boek van Bob Woodward, Plan Of Attack. In een afgelopen maandag in deze krant geciteerd fragment zegt Bush desgevraagd: `De geschiedenis? Dat zullen we nooit weten. Dan zijn we allemaal dood.' Sommige mensen storen zich aan zo'n houding, wetenschappers in het bijzonder. De enige autoriteit die zij erkennen, intelligentie, blijkt niet de ultieme eigenschap te zijn waarop het electoraat een kandidaat beoordeelt. De reacties die George W. Bush oproept zijn daarvan een goed voorbeeld.

Een Europeaan die nu naar Amerika vliegt en naast een Amerikaanse academicus komt te zitten krijgt waarschijnlijk tot aan de landing verontschuldigingen te horen over de huidige president. Dit is niet nodig: die Europeaan is doorgaans zelf al overtuigd. Sinds de Vietnam-oorlog zijn er in Europa niet zulke heftige anti-Amerikaanse gevoelens geweest als tegenwoordig. En dat terwijl op 11 september 2001 de hele wereld aan de kant van Amerika stond. Om die sympathie te verspelen moet je toch wel volslagen idioot zijn. Dat is dan ook precies de boodschap van het nieuwe boek van Peter Singer The President of Good & Evil. The ethics of George W. Bush.

Singer is beroemd geworden doordat hij utilistische beginselen in de ethiek tot hun uiterste consequentie doorvoerde. Singer is een zogenaamde preferentie-utilist, hetgeen wil zeggen dat volgens hem morele afwegingen gericht moeten zijn op het bevredigen van de voorkeuren van alle individuen die belangen hebben. Dit roept de vraag op welke individuen hiervoor relevant zijn, waarop Singer antwoordt dat ethisch gezien met de belangen van dieren evenzeer rekening moet worden gehouden als met die van mensen. Het duivelse van die redenering schuilt erin dat Singer het zelfs onder bepaalde omstandigheden toelaatbaar acht om kinderen te doden. Met het verkondigen van die opvatting bracht deze van oorsprong Australische filosoof zelfs een benoeming aan de Princeton Universiteit in gevaar. Christelijke Amerikanen liepen tegen hem te hoop.

Vooroordeel

Singers boek wekt de indruk dat hij een vooroordeel koestert jegens Bush. Vooroordelen kun je op twee manieren instandhouden. Ten eerste door nooit nader kennis te nemen van hetgeen Bush in werkelijkheid gedaan of gezegd heeft. Ten tweede door dat toch eens te doen met de vooropgezette bedoeling hem even verwerpelijk te vinden als je altijd al gedacht had dat hij zijn zou.

Singer heeft voor het laatste gekozen. Hij heeft zich uitgebreid gedocumenteerd, daarbij meestal afgaand op journalistieke bronnen. Er is geen enkele president geweest die zo vaak in redevoeringen de ethische termen `goed' en `kwaad' heeft gebruikt als Bush, vandaar de titel van het boek. Singers werkwijze is om die principiële uitspraken te vergelijken met de realiteit van zijn beleid. Die methode werkt het beste in het eerste van de twee delen waar The President of Good & Evil uit bestaat, getiteld `Bush's America'.

Het kost Singer weinig moeite de inconsistenties die tussen woord en daad bestaan aan te wijzen. Bush' religieuze uitspraken over de `sanctity of life' staan in schril contrast met zijn enthousiasme voor de doodstraf. Zijn belofte aan kinderen uit eenoudergezinnen, van wie de vader vaak in de gevangenis zit, `The dream is for you. I will work to build a single nation of justice and opportunity', valt niet te rijmen met zijn belastingverlichting waar alleen de allerrijksten van profiteren. Zijn weigering om het Internationale Gerechtshof in Den Haag te accepteren met als argument dat hij rechten van Amerikanen overal ter wereld wil beschermen staat haaks op de manier waarop de van terrorisme verdachte gevangenen in Guantánamo Bay worden behandeld. Bush is een voorstander van `free trade', maar werpt een tolmuur om de VS heen en subsidieert de agrarische sector waardoor boeren uit de Derde Wereld niet op een vrije markt kunnen concurreren met Amerikaanse boeren. Alleen ten aanzien van de bestrijding van aids heeft Bush zijn beloften gedeeltelijk waargemaakt, moet Singer toegeven.

Het tweede deel `America and the World' is een samenvatting van kritiek op Bush die al eerder geuit is. Daarin treedt Singer buiten de grenzen van zijn eigen vakgebied, de filosofie, en betreedt hij het terrein van de empirische wetenschappen. Hij doet een poging de mens Bush en de machtsstructuren die hem omgeven te onderzoeken en daar is zijn boek op zijn zwakst. Hij besteedt geen aandacht aan de geschiedenis en de wortels van het Amerikaanse conservatisme en van de Republikeinse partij. Singer is geen machtsdenker, waardoor hem veel ontgaat van wat Bush drijft, wie hem in het zadel hebben geholpen en wie hem zullen steunen in de komende presidentsverkiezingen. Zo lezen we niets over de invloed die vice-president Cheney op het beleid uitoefent en ook niets over de wapenindustrie die zijn verkiezingscampagne financiert.

Singer valt Bush vooral aan op wat hij gezegd heeft. Vervolgens kost het hem, als professioneel filosoof, weinig moeite om te laten zien dat wat Bush zegt niet in overeenstemming is met wat Bush doet. Natuurlijk klopt dat, maar wat leren we daarvan? Zulke discrepanties zijn schering en inslag in de geschiedenis van de politieke retorica. Dergelijke verschillen maken Bush niet tot een slecht president. Singer is blind voor de retorische en pragmatische aspecten van een toespraak. Het gaat Bush natuurlijk niet om de waarheid van wat hij zegt, maar om het effect ervan op het electoraat. Singer negeert de context van Bush' toespraken en dat is eenvoudigweg een denkfout die hem als filosoof aan te rekenen valt.

Uitspraken

Wie aan de domheid van Bush mocht twijfelen moet dit boek zeker lezen. Maar voor wie dit al wist bevat dit boek weinig nieuws. Akkoord, de uitspraken van Bush over rechtvaardigheid, gelijke kansen voor iedereen, klonen ten bate van ongeneeslijke ziekten en de bescherming van het ongeboren leven zijn tegenstrijdig, net zo goed als zijn beweringen over de vrijheid van burgers en het christelijk geloof dat hij aanhangt. Maar waar het in de ethiek om draait en Singer zou dat toch moeten weten zijn daden en niet uitspraken. Je kunt wel van jezelf zeggen dat je een goed mens bent, maar dat moet je toch vooral tonen.

Er zijn kiezers geweest die op Bush hebben gestemd, omdat hij tenminste een eerlijk man was, ofschoon misschien niet de intelligentste. Maar ook die suggestie wordt door Singer fel aangevallen. Hij vindt Bush een oneerlijke man die valse indrukken heeft gewekt en zo zijn land in een oorlog heeft doen belanden die nu al duizenden levens heeft gekost. Singer gaat zelfs zover Bush af te schilderen als iemand die qua morele ontwikkeling niet verder is gekomen dan de puberteit. Zelfs al zou dit kloppen, dan brengt zo'n diagnose ons natuurlijk niet veel verder. Zoals Gerard Reve eens opgemerkt heeft over christelijke wonderen: het interessante is niet dat zulke wonderbaarlijke gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden, maar het feit dat miljoenen mensen dat willen geloven.

Singers analyse is uiteindelijk te mager om zijn conclusie te rechtvaardigen dat Bush enkel een domme, cynische machtspoliticus is. Het verontrustende is veeleer dat het presidentschap van Bush gedragen wordt door een brede laag van de Amerikaanse bevolking die net als Bush gelooft in God en vertrouwt op zijn ethische `gut feeling'.

In het slothoofdstuk doet Singer een poging van Bush' `gut feelings' een systematische ethiek te maken. De machtigste man ter wereld wordt in de schoolbankjes geduwd om een lesje te krijgen in ethische theorieën. De president krijgt van Singer een dikke onvoldoende. De slotzin van The President of Good & Evil luidt dan ook: `If what is needed in a president is [...] a consistent message, then George W. Bush is a conspicuous failure.' Maar wat Singer met deze conclusie onbedoeld aantoont, is iets anders en opnieuw een vertrouwde waarheid: dat de rede machteloos staat tegenover de domheid die niet eens weet wat consistentie of tegenspraak is.

Peter Singer: The President of Good & Evil. The ethics of George W. Bush. Dutton, 280 blz. €32,–