Geef haar maar eens ongelijk

Gemakzucht of gebrek aan durf kan Stephan Enter niet verweten worden. Zijn debuut, Winterhanden (1999) werd indertijd genomineerd voor de Librisprijs. Hij had de succesformule daarvan, op de wijze van Reve en Hermans, kunnen voortzetten. Maar met zijn roman Lichtjaren verlaat hij niet alleen het genre van het korte, suggestieve verhaal, maar slaat hij helemaal een andere weg in. Ik zal niet meteen zeggen dat dat een nieuwe weg is, want ook hier wordt voortgeborduurd op een bepaalde traditie: die van het late naturalisme.

In de roman heerst een aan Van Oudshoorn herinnerende, zompige en noodlottige atmosfeer. Hoofdpersoon Nils, afkomstig van de gereformeerde Veluwe, en al sinds zijn derde jaar ouderloos, is geen lachebek en zal dat ook nooit worden. Hij bewoont al jarenlang in zijn eentje een donker souterrain. Als natuurkundige, en als promovendus in iets sterrenkundigs, houdt hij van logisch redeneren en van een vooropgezet plan. Volgens het sjabloon van de bètaman heeft hij moeite met het uiten van zijn gevoelens. Zijn emoties zijn, merkwaardig genoeg, naar eigen zeggen wel `zichtbaar', maar ze liggen net buiten zijn bereik, `als achter dik glas'. Hij betreurt dat, maar weet niet wat hij daaraan kan veranderen. Geen wonder dat Hella, de zoveel expressievere pianiste met wie hij een aantal jaren een verhouding heeft gehad, op zeker moment genoeg begon te krijgen van zijn gereserveerde levenshouding.

Dit is waar het in Lichtjaren – met voorbijzien aan allerlei bijkomende verwikkelingen – om draait: een voorbije liefde die door Nils tot in de kleinste details wordt gereconstrueerd en waarop hij met veel nostalgie en spijt terugkijkt. Waarom, zo vraagt hij zich jaren later enigszins vertwijfeld af, was hij niet wat zuiniger op deze liefde geweest en waarom was hij die spreekwoordelijke lichtjaren verwijderd gebleven van zijn gevoelens voor haar? Zo vat ik althans de vracht aan gedachten, overwegingen, herinneringen en anekdotes maar even samen die Enter zijn held onvermoeibaar in de mond legt. Duidelijke antwoorden op deze vragen krijgen we overigens niet, want Nils is geen erg heldere verteller, hoeveel noten hij ook op zang heeft. Hij heeft het in één van zijn vele uitweidingen over `de kern van ons wezen', maar de kern of het wezen van zijn eigen, ellenlange verhaal is helaas niet erg gemakkelijk te vinden.

Heel anders dan in zijn debuut waarin korte, krachtige mededelingen werden gedaan, verliest Enter zich in Lichtjaren in ouderwets gedragen volzinnen, waarin ontelbare zijpaden worden betreden. Over de leden van de schermvereniging waar hij Hella heeft leren kennen, over stinkende vuilniszakken in een Utrechtse steeg, over de hernieuwde ontmoeting met een vroegere vriend die toen eigenlijk ook al geen vriend was, over de boeiende treinreis van Amsterdam naar Alkmaar, over de eigenaardigheden van conservatoriumstudenten, over de moeizame aanschaf van een vleugel, over het jachtige leven van zijn schoonouders. Die volzinnen zijn niet vaak mooi, maar wel vaak hopeloos omslachtig. Als Nils een bladzijde in een boek omslaat, dan staat er: `Ik raak met de top van mijn wijsvinger het vochtige deel van mijn onderlip aan en sla een pagina om.' Ook het zetten van koffie, het plaatsnemen in een concertzaal, of het aantrekken van een hemd ('terwijl ik de knoopjes van mijn overhemd van boven naar onder toe dichtdeed...') is een hele onderneming bij Enter. Als iemand tijdens een wandelvakantie blaren heeft opgelopen, dan is dat niet gewoon lastig of vervelend, maar dan heet het, mal zwaarwichtig, dat `onze mobiliteit werd gereduceerd tot een frustrerend niveau.'

Enter is in Lichtjaren duidelijk bang om iets gewoon te zeggen en dus brengt hij, waar hij maar kan, nuances aan. Iemand is niet beledigd, maar `een beetje gewild beledigd', niet traag, maar `bestudeerd traag', niet gegeneerd maar `achteloos gegeneerd', niet bezorgd maar `schichtig bezorgd' en een zangeres zingt niet zuiver maar `pijnlijk zuiver'.

Achter al die nunances, achter al die bijzonderheden en vaak opvallend venijnige details over familieleden, medeweggebruikers, restaurantbezoekers, concertpubliek, afbraakpanden, kunstenaars, musici en vakantiebestemmingen, gaapt een angstwekkend leeg verhaal over een babbelzieke astronoom wiens leven kennelijk van oppervlakkige anekdotes aan elkaar hangt. Het meest opzienbarend en natuurlijk ook het meest tragisch aan dat levensverhaal is dat hij zijn meisje is kwijtgeraakt. We kunnen het haar niet kwalijk nemen. We kunnen hem er ook niet om beklagen. Wat moet ze ook met een man die het steeds over zichzelf heeft, zonder dat ze ook maar enige hoogte krijgt van wat er in zijn kern of wezen of in de kern van zijn wezen omgaat? Over zijn neef Ruben, een veelgesmade, gestaag uitdijende corpsbal, merkt Nils honend op dat diens `trant van praten' door moet gaan voor `een bewonderenswaardige flux de bouche', terwijl hij, net als zijn soortgenoten, alleen maar clichés zou `distribueren'. [..] `Wanneer je dat eenmaal doorhebt', zo bedenkt hij, `verschrompelt al die welbespraaktheid voor je ogen (...) tot gezanik.' Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Want hier, in het allerlaatste hoofdstuk, zien we dan warempel toch nog iets van een zelfportret oprijzen.

Stephan Enter: Lichtjaren. G.A. van Oorschot, 320 blz. €17,50