Een lustoord voor engagement

Bij de idealistische kunstenaars van nu ontbreken de hemelbestormende ambities. Het gaat hen om het kleine, lokale, dat toch niet zo klein en lokaal blijkt te zijn.

De grote schuur op het boerenerf is aangekleed met nostalgia: zinken teilen, kolenkitten, melkbussen en waslijnen met babyhansopjes. Op lange tafels staan dampende borden erwtensoep, krentenbrood en kaas. Alles is duidelijk afgestemd op groepen mensen die eens komen kijken hoe het er aan toegaat op een biologische boerderij. Maar deze groep is anders. Voor het eerst vertonen zich hier kunstenaars, theatermakers, kunstofficials en critici, voor een aanzienlijk deel afkomstig uit Midden- en Oosteuropa. Ze zijn in Kamerik, een gehucht in het Groene Hart, in het kader van een symposium dat is georganiseerd door de European Cultural Foundation (ECF). De stichting beijvert zich al vijftig jaar voor `een sterk en democratisch cultureel beleid' van Europa en viert dit wapenfeit op 24 april in de Beurs van Berlage in Amsterdam. Maar of de kaasblokjes voor de koninklijke hoogheden, Europese ministers en culturele notabelen, afkomstig zullen zijn van de dertig verwende koeien op deze boerderij, is zeer de vraag.

Het internationale gezelschap is niet in Kamerik voor het wonder der natuurlijke natuur, maar om te discussiëren over de grote veranderingen die zich nu voordoen in kunst en cultuur. Die veranderingen worden door de meesten hier als crisisachtig beschouwd, een gevaarlijke mening in Nederland, waar Domeniek Ruyters, de hoofdredacteur van het kunstblad Metropolis M, een hele pagina in de Volkskrant krijgt om `crisis-denkers' in de hoek te zetten als modieus, neo-conservatief en Fortuynistisch. Er is helemaal geen crisis in de kunst, vindt hij. Het gaat om niet meer dan een schijndebat. Want hoe hoog of laag we ook springen: `kunst is alleen kunst in een kunstcontext, in een artistieke omgeving, echt of virtueel, waar ze zich toe verhoudt en uitspraken over doet'.

Maar als het zo simpel is, waarom dan zo'n hysterische verkettering van andersdenkenden? Omdat de oude kunsthistorische zekerheden wel degelijk onder vuur liggen. Ruyters' overbekende omschrijving van kunst verklaart immers kunstwereld en kunsthistorie tot de maat van alle dingen, en juist daar worden de laatste tijd grote vraagtekens bij gezet. Niet-westerse kunstenaars beklagen zich erover dat de westerse kunstwereld nog altijd geen ideeën uitwisselt met andere culturen en met imperialistische arrogantie haar eigen culturele erfenis tot universele standaard verklaart. Steeds meer westerse kunstenaars verzetten zich tegen een `artistieke omgeving' die zij als benauwd en beperkt ervaren. Het is een systeem, vinden zij, dat zijn eigen vorm van legitimering heeft geschapen en dat wordt gedomineerd door de markt, betweterige critici en internationale curatoren met hoogst persoonlijke programma's. Zo bezien is het niet modieus om over een crisis te praten, maar om deze als modieus af te doen.

Kamerik is vrije grond: niemand van de tachtig aanwezigen trekt het vermogen van de kunst in twijfel om ook buiten `het systeem' als kunst te kunnen opereren. De kunstenaars, waarvan de meesten deel uitmaken van een kunstenaarscollectief, houden zich niet bezig met het kunstcircuit maar met de betekenis van hun kunst voor de samenleving, of zoals de titel van het ECF-symposium zegt: `Art For Social Change'.

Melkophalers

Het klinkt nostalgisch: mooie-idealenkunst heeft nooit een lang leven gekend. Maar er is een verschil. Deze keer ontbreken de hemelbestormende ambities. Deze kunstenaars willen niet, zoals de Constructivisten en Futuristen, een Nieuwe Wereld scheppen. En ze streven er ook niet naar om, net als Fluxus en de Situationisten, de mens zelf te vernieuwen met provocerende `aksies' en zintuiglijke prikkels. Het alledaagse, kleine, lokale, daar gaat het nu om. En dat blijkt helemaal niet zo klein en lokaal te zijn.

Wat bijvoorbeeld weten wij van de melk waarmee onze kaas gemaakt wordt? Het is best mogelijk dat deze vermengd is met melk van een koe in Letland. Daar kwamen de Nederlandse kunstenaar Esther Polak en de Letlandse onderzoekster Ieva Auzina achter toen ze gefascineerd raakten door de kleine boerenbedrijven in Letland. Die zullen, nu het land op 1 mei toetreedt tot de Europese Unie, plat gewalst worden door een meedogenloze industrialisatie van de agrarische sector.

De twee vrouwen ontwikkelden een eigen softwareprogramma voor een Global Positioning System, een via een sateliet werkend, radiografisch gestuurd navigatiesysteem, waarmee ze bijvoorbeeld twee Letlandse melkophalers konden volgen. De een rijdt dagelijks 250 kilometer om bij tientallen kleine boerderijen de melkbussen te legen en ondertussen ook de post en de plaatselijke nieuwtjes door te geven. De ander doet over een afstand van 350 kilometer drie gigantische, geïndustrialiseerde agrarische bedrijven aan. Hij brengt niets mee en drinkt bij geen van drieën koffie.

Op een monitor zien wij hoe de melk vanaf de uier van de koe, via de melkophaler naar grote verzamelcentra gaat, vanwaar ze over grote delen van Europa wordt verspreid. Onze kaas blijkt plotseling een complexe sociale en geopolitieke geschiedenis te hebben.

Platform, een kunstenaarscollectief uit Londen, zoekt het dichter bij huis, Onder de titel Exploring our own home doet de groep onderzoek naar het ogenschijnlijk gewone en vanzelfsprekende in hun eigen stad. Zij vragen zich bijvoorbeeld af waar het licht in de Londense huizen vandaan komt: de elektriciteit, het glas, zand, koper van gloeilampen en fittingen, het plastic van stekkers. Dat blijkt te variëren van kleine familiebedrijven in Polen tot fabriekscomplexen in Taiwan. De resultaten van hun onderzoekingen geven ze aan op wat ze `deep maps' noemen, door henzelf ontworpen kaarten die laten zien hoezeer een leefomgeving verbonden is met andere plaatsen op de wereld en hoe diep beide in elkaar doordringen.

Waarom doen kunstenaars dit? En wat heeft sociale research met kunst te maken? Tijdens de discussie die volgt, kristalliseert zich langzaam een antwoord uit: de kunst moet zich vrijmaken van haar fixatie op zichzelf, want dat heeft haar vervreemd van de samenleving en haar monddood gemaakt. Ze moet weg uit de symbolische sfeer en zich manifesteren in de praktijk van het leven. Daarvoor moet de kunstenaar op allerlei sociaal gebied onderzoek doen en alternatieven ontwikkelen. En hij moet vooral een vorm vinden die de mensen zo aanspreekt dat hun ogen opengaan en zij zich betrokken voelen. De kunstenaar wordt dus als schepper van kunstwerken óók een nieuw soort sociale bemiddelaar.

Niet alleen de kunst en het kunstenaarschap verbreden zich. Bij de architectuur en het design doet zich dezelfde ontwikkeling voor. Dat kwam eerder naar voren in Brussel, waar het blad Archis samen met AMO, de denktank van Rem Koolhaas, een discussie had georganiseerd over de vraag of het idee van één Europa niet een drogbeeld is. Is het gezien de grote onderlinge verschillen niet iets wat meer in de geest dan in de werkelijkheid bestaat?

Aan de discussie gingen video-presentaties en lezingen vooraf waaruit bleek dat veel jonge architecten en ontwerpers zich bezig houden met sociale, economische en geopolitieke aspecten van het leven in Europa, vaak vanuit landschappelijk en stedelijk perspectief. En ook zij kwamen met `deep maps'.

De opvallendste presentatie kwam van `Must', een groepje van vier jonge Nederlandse ontwerpers en onderzoekers, dat van zijn bevindingen een boek heeft gemaakt: Euroscapes. We zien aan de hand van speciale landkaarten, foto's en teksten een nieuw Europa in beeld komen. Een Europa waarin Easyjet op sommige landen vaak vliegt en op andere nooit; waar de kosten van huisvesting hoog zijn of de gelden voor gezondheidszorg minimaal; waar een mix van Europeanen kolonies vormen en immigranten in aparte wijken wonen en waar de welvaart valt af te meten aan de `funscapes': de themaparken en andere recreatiegebieden.

Het Nieuwe Europa is een experiment. Je ziet onder invloed van de enorme mobiliteit, de dichtheid en de diversiteit van de bevolking verschillende tijdperken en culturen botsen of in elkaar schuiven. Daar valt veel aan te ontdekken, als je maar weet hoe je moet kijken en waarnaar. Kunstenaars zijn daarin getraind. Kunst ontstaat doordat iemand op zo'n manier naar iets kijkt, erover nadenkt en daar vorm aan geeft, dat hij zichtbaar maakt wat voor anderen verborgen is. Dat kan een mysterie zijn of een simpele waarheid, de kleuren van het licht of een meisje dat op haar handen staat, maar altijd gaat er een bijzondere aandacht, grote inzet en een persoonlijke visie vanuit. Daarin schuilt de overtuigingskracht van de kunstenaar.

Het Nieuwe Europa is ook een lustoord voor het nieuwe engagement. Er zullen zich vragen voordoen waar de kunst de laatste decennia vertrouwd mee is geraakt dankzij `nieuwkomers' als vrouwelijke, homoseksuele en niet-westerse kunstenaars. Vragen over identiteit, sociale of psychische vervreemding, geschiedschrijving en beeldvorming in de media. De laatste twee Documenta's stonden volledig in dat teken.

Tijdens de discussie in Brussel lag de nadruk op wat Europa altijd heeft gespleten: het idee van nationale identiteit. Loopt het hebben van een identiteit niet via kapitaalstromen? vroeg iemand. En een ander vond dat een tegenwicht gevormd moest worden voor populistische partijen die identiteitsvorming bepleiten. Maar wat en hoe dan? Waarom moeten we eigenlijk een identiteit hebben? riep een man met luide stem. Kunnen we niet gewoon ménsen zijn? Europa, vond hij, moet een spons worden van mensen zonder nationale identiteit.

Op de vlucht

Dat Europa bestaat al, zij het minder positief dan hier werd bedoeld. De spons zuigt mensen op die hun nationale identiteit kwijt zijn en nergens meer bijhoren, de `sans-papiers', zoals men ze in de Europese hoofdstad noemt. Ze komen uit alle delen van de wereld en zwerven rond, voortdurend op de vlucht voor de politie en de politiek. Drie jaar geleden trokken een paar kunstenaars en een jurist zich hun lot aan, Matthijs van Kobe, Vincent Meessen en Tristan Wibault. Ze kraakten in Brussel het ambassadegebouw van Somalië dat door de burgeroorlog in dit land al jaren leeg stond, huisvestten er de schrijnendste gevallen in, en noemden het niet zonder ironie de Ambassade Universelle.

,,Dit is een ambassade voor mensen zonder ambassade'', vertellen Meessen en Wibault als ik hen daar ontmoet. ,,Het is een noodverblijf, ontmoetingsplaats en uitvalsbasis voor mensen die in een procedure voor regularisering zijn verwikkeld. Tot nu toe hebben wij, met behulp van zo'n dertig andere vrijwilligers en giften van particulieren, in totaal meer dan tweehonderd mensen uit meer dan vijftien landen opgevangen. Steeds wonen hier voor een paar maanden tussen de dertig en veertig mensen.'' We lopen door het verwaarloosde gebouw waarvan de oude allure nog spreekt uit de Art Deco-details. Hier en daar biedt een openstaande deur zicht op met meubels en mensen volgepropte kamers. In het ruime trapportaal drupt natte was op het parket. ,,We zagen hoe zich een nieuwe diaspora ontwikkelt en wilden daar iets aan doen'', zegt Wibault. ,,Wij vroegen ons af of we een plek konden scheppen waar de sans-papiers een naam, een gezicht en een stem konden krijgen. Dat is gelukt. Ze bestaan nu publiekelijk, spreken voor de radio, komen op tv, schrijven, getuigen. Dat betekent niet dat ze veilig zijn. Ze zijn juist heel zichtbaar geworden en kunnen iedere dag worden opgepakt en in de gevangenis gestopt.''

Het logo, de vlag en de bewonerskaart die ze voor de Ambassade Universelle hebben ontworpen, zijn ironisch bedoeld en moeten vooral niet als kunst worden gezien. Met kunst heeft dit project sowieso niets te maken. Daarvoor is het werk dat gedaan moet worden veel te praktisch. Maar voor hen als kunstenaars is het interessant juist omdat het zo concreet is en tegelijk een utopisch karakter heeft. Het is een experiment waarbij culturen zich vermengen en het idee van nationaliteit wordt ontmaskerd als discriminerend. Want waarom heeft een Europees paspoort menselijk gezien meer waarde dan een Senegalees? Het moet toch mogelijk zijn om los van welke nationaliteit dan ook, burger te zijn?

De politiek kan zo niet denken. En daarom kan ze voor dit probleem van Europa ook geen nieuwe oplossingen vinden. Kunst, heeft de Franse filosoof Deleuze gezegd, is het verzinnen van een taal voor het volk dat nog komt. Het is de taak van de kunst, vinden Meessen en Wibault, om de wereld in te gaan en aan de hand van concrete ervaringen deze nieuwe taal te ontwikkelen.