Duitse kerk biechtte half

Wilken Veen, hervormd predikant te Amsterdam, kreeg het verzoek een studie te maken van de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging (NCSV) en haar houding ten opzichte van Duitsland in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Hij ging op dat verzoek in, maar toen hij aan het werk was, bleek hem dat het niet goed mogelijk was over dat onderwerp te schrijven zonder andere Nederlandse kerkelijke contacten met Duitsland in die jaren te beschrijven. Bijvoorbeeld die van de Duitsland-commissie van de toenmalige Oecumenische Raad, die later zou opgaan in de huidige Raad van Kerken. Zo ontstond er een boek dat meer biedt dan de ondertitel doet vermoeden.

Wim (later ds. W.P.J.) Wesseldijk nam in 1947 voor de NCSV de contacten met Duitsland ter hand. Hij wist waar hij aan begon, want hij schreef in het blad van de vereniging dat het nationaal-socialisme een symptoom was van een crisis die heel Europa had aangetast. Het hele werelddeel was losgeraakt van christendom en humanisme, de wortels waaraan het zijn bloei te danken had. NCSV'ers konden er niet mee volstaan van Duitse studenten een schuldbelijdenis te verwachten en moesten ook de hand in eigen boezem steken.

Moet een volk schuld belijden, of kun je dat alleen van individuen verwachten? Kan een kerk schuld belijden? De Duitse Evangelische Kerk heeft dat in 1945 in Stuttgart gedaan en Veen vindt dat daar maar half werk is geleverd. Maar in het verslag dat een commissie van de hervormde kerk in 1947 uitbracht over een bezoek aan Duitsland, staat te lezen dat de schuldbelijdenis van Stuttgart veel Duitse kerkleden al veel te ver gaat. Ze zijn meer bezig met wat hun tijdens de oorlog met de geallieerde luchtbombardementen is aangedaan en met de verschrikkingen die het Rode Leger in 1945 over Oost-Duitsland heeft gebracht. Maar dan komt er in 1949 plotseling een verklaring van de hoogleraar Heinrich Vogel, die de Duitse schuld scherp onder woorden brengt en de weg wijst in de in dat jaar al oplopende spanning tussen Oost en West. Vogel vindt hier en daar gehoor.

Het boek wemelt van verslagen over conferenties en projecten in Bentveld, Münster, Villigst en waar niet allemaal meer. Naast Wesseldijk komen Hebe Kohlbrugge, die onvermoeibaar contacten tot stand bracht, Warner ten Kate, C.L. Patijn en M. Kohnstamm goed uit de verf. Maar wanneer de Bondsrepubliek is opgericht en de Marshall-hulp West-Duitsland economisch weer op de been brengt, ebt de spanning van de eerste jaren na de oorlog weg en neemt het aantal bijeenkomsten over de verhouding Nederland-Duitsland zienderogen af.

In zijn laatste hoofdstuk vertelt Veen hoe hij in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw studenten in de toenmalige DDR bezocht. In die tijd had de NCSV Marx ontdekt als sleutel tot de geheimen van de bijbel. Dat vond Veen zelf ook fascinerend, maar de Duitsers waren niet geïnteresseerd. Veen had in zijn boek duidelijk moeten laten uitkomen dat de NCSV van zijn jaren een andere was dan die van de jaren na de oorlog. Dat heeft hij niet gedaan.

Wilken Veen: Verzoening in de praktijk? De NCSV en de `Duitsche quaestie'. Boekencentrum, 124 blz., €12,50