Beleid VS in het Midden-Oosten is een fiasco

Met hun sla-dood-strategie proberen Israël en de VS de Arabische straat onder de duim te krijgen. Zie de moord op Hamasleider Abdelaziz Rantisi en de wurgende militaire greep op opstandige steden in Irak. De Amerikaanse en Israëlische regeringen strijden schouder aan schouder tegen het internationale terrorisme. Althans, dat is de voorstelling van zaken die in Jeruzalem bij voorkeur wordt gegeven. De gerichte geslaagde aanslag op Rantisi, de tweede op een Hamasleider binnen vier weken, kwam enkele dagen na een bezoek van premier Sharon aan president Bush. De Israëliërs zochten na de moordaanslag desondanks toch plichtsgetrouw naar een nuance. ,,Ja, we zijn het eens over de strijd tegen het terrorisme en hoe die moet worden gevoerd. Neen, we informeren Washington niet op voorhand over de specifieke stappen die wij nemen.''

De Amerikanen gaan intussen nog een nuance verder. Waar de Israëliërs allang geen onderscheid meer maken tussen Hamas, de Palestijnse Autoriteit van Arafat en het Palestijnse volk in het algemeen, daar onderstreept president Bush voortdurend dat hij opereert namens het Iraakse volk. Het keiharde Amerikaanse optreden met dagelijks vele Iraakse doden als gevolg richt zich uitsluitend, zo wordt Bush niet moe te verklaren, op terroristische en criminele elementen die slechts één doel hebben: verbetering van de omstandigheden waaronder de gemiddelde Irakees leeft, zoveel mogelijk tegen te houden en te saboteren. Dat de Amerikanen intussen toenemende tegenstand en vijandschap ondervinden van allerlei groepen uit de Iraakse samenleving, weerhoudt de president er niet van zijn mantra bij iedere gelegenheid die zich voordoet te herhalen.

Het resultaat is wel dat de puinhoop die Amerikanen en Israëliërs van het Midden-Oosten hebben gemaakt, hoog en onoverzienbaar is geworden. Dat is een realiteit die de lidstaten van de Europese Unie in hun eigen belang op zich moeten laten inwerken. Tot dusver is hier en daar van die kant deelkritiek te horen (onder anderen van minister Bot op de moord op Rantisi), maar tot een realistische analyse van de impasse die in het Midden-Oosten is ontstaan, is het nog niet gekomen. Er wordt in Europa nog veelal uitgegaan van het axioma dat in die regio iets groots wordt verricht, dat er weliswaar het een en ander is misgegaan, maar dat met enig duwen en trekken door de internationale gemeenschap de kar weer op de weg kan worden geholpen. Of het nu gaat om de routekaart naar een Palestijns-Israëlische vrede of om het vestigen van wet en orde in Irak, er wordt over gepraat en geschreven alsof het daarbij nog om haalbare doelstellingen gaat.

Belangrijke impulsen in het Amerikaanse beleid en het Israëlische opportunisme om daarvan onmiddellijk gebruik te maken, worden als gevolg van de Europese bijziendheid niet op hun werkelijke betekenis beoordeeld. Met zijn herinterpretatie van de Veiligheidsraadresoluties van 1967 heeft Bush een historische wending gegeven aan de tientallen jaren lang volgehouden Amerikaanse politiek ten aanzien van het Palestijnse vraagstuk. Niet langer de verzekering van Israëls veiligheid is de belangrijkste tegenhanger van dit probleem, maar het behoud van de Israëlische kolonisatie van bezet gebied. Met de aanvaarding van bestaande joodse nederzettingen op het grondgebied van wat eens een Palestijnse staat had moeten worden, heeft de Amerikaanse regering de verwezenlijking van de zogeheten road map onmogelijk gemaakt. Nu moet worden toegegeven dat niemand die het Amerikaanse optreden van de laatste jaren met enige nauwkeurigheid heeft gevolgd verrast kan zijn, de gedoogsteun voor Sharon liet steeds minder te raden over, maar twijfel is zekerheid geworden.

Het is op historische gronden de moeite waard om nuances in verschillende versies van de resoluties van 1967 op te rakelen en het `debat over het lidwoord' nog eens over te doen: wat moest Israël nu eigenlijk ontruimen? Bezette gebieden of `de' bezette gebieden? En hoe dwingend zijn de teksten onder hoofdstuk VI van het Handvest?

Het zou overigens een debat zijn dat geen enkele betekenis meer heeft voor het heden. Toen, in 1967, ging het erom het resultaat van Israëls preventieve oorlog tegen zijn buurlanden niet internationaal te legitimeren, en toch onderhandelingen te bevorderen waarin rekening zou worden gehouden met de eisen van Israëls voortbestaan als natie, de bedreiging waarvan de directe aanleiding tot de drie frontenoorlog was geweest. Een eventuele correctie van de zogenoemde groene lijn zou onder de toen geldende omstandigheden en voorwaarden het gevolg zijn geweest van onderhandelingen, niet van een eenzijdig opgelegd dictaat zoals nu het geval is. De veiligheid van Israëliërs nu – iets anders dan de veiligheid van Israël toen – loopt eerder gevaar door de handhaving van nederzettingen in bezet gebied en daaraan gekoppelde grenscorrecties dan door hun eventuele liquidatie.

Wat Irak betreft zijn inmiddels verschillende stadia doorlopen. Het begon met een volwassen conventionele oorlog tegen Saddams strijdkrachten, een oorlog die resulteerde in de bezetting van Irak. De aanleiding – het gevaar dat zou zijn uitgegaan van de aan Saddam toegeschreven massavernietigingswapens – bleek vervolgens niet te bestaan. Wel is na de vernietiging van het regime een gezagsvacuüm ontstaan waarin allerlei dissidente groeperingen gedijen. De uit Amerika meegebrachte Iraakse leiders kunnen slechts overleven achter de bajonetten van het Amerikaanse leger, iets wat weinig goeds voorspelt voor de datum van 30 juni wanneer de macht aan een voorlopige, onder Amerikaanse auspiciën gevormde, Iraakse regering moet worden overgedragen. Enkele maanden geleden nog reageerde minister Powell op de Franse wens van een spoedige machtsoverdracht met de vraag aan wie dat dan wel zou moeten gebeuren. Dat vraagteken is er sindsdien niet kleiner op geworden.

Het gangbare antwoord op de problemen die het Midden-Oosten oplevert, blijkt te bestaan uit geweld en nog eens geweld. Geweld in de Gazastrook, op de westelijke Jordaanoever en in Iraks steden en gebieden waar dissidenten van verschillend slag bereid blijken de wapens tegen de bezetter op te nemen. Aldus is een hopeloze situatie ontstaan waarvoor niemand minder dan Bush senior destijds in geschrifte heeft gewaarschuwd.

Het wordt tijd dat de lidstaten van de Europese Unie die toestand onder ogen zien en er de consequenties uit trekken. De conclusies van de nieuwe Spaanse regering kunnen als een goede richtingwijzer worden beschouwd. Aan het Amerikaanse beleid in het Midden-Oosten valt geen eer meer te behalen.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.