Beeldende kunst: e-culture?

De Raad voor Cultuur bracht deze week advies uit over de kunstsubsidies. Voor het te laat is voorziet het Cultureel Supplement staatssecretaris Medy van der Laan nog eenmaal van advies.

Hoewel de staatssecretaris in de komende vier jaar moet bezuinigen op cultuur, blijkt er toch extra geld te zijn voor een apart gebied: de zogenaamde eCultuur. De Raad verstaat hieronder `ontwikkelingen rond digitale media en internet die een nieuwe, digitale dimensie toevoegen aan cultuur en die nieuwe vormen van cultuur genereren'. De Raad adviseert een verhoging van structurele subsidie voor een aantal instellingen die hij ziet als `pioniers van eCulturele innovatie'. Van de negen subsidie-aanvragen van `nieuwe media-instellingen' zijn er maar liefst zeven gehonoreerd. Het bevorderen van `eCulturele innovatie' als doel op zichzelf, schimmig en wel, is een modieuze beslissing. Het is ook zeker geen kunstbeleid, en het is maar de vraag of het wel een onderdeel van het cultuurbeleid behoort te zijn. Bovendien staat het in schril contrast met de beslissing om alle kunstenaarsinitiatieven buiten de cultuurnota te houden. Hieronder bevinden zich belangrijke kunstinstellingen als BAK, W139 en Lokaal. Dit zijn nu juist bij uitstek plekken waar door kunstenaars pionierswerk wordt verricht op het gebied van digitale media.

In de sector musea legt de Raad een sterke nadruk op jongereneducatie. Zo adviseert de Raad om het Museum Jan Cunen in Oss een structurele subsidie te verlenen, op grond van de activiteiten die daar worden verricht op het gebied van educatie aan jongeren, niet op grond van het tentoonstellings- of verzamelbeleid. In de vorige Cultuurnota had jongereneducatie eveneens een hoge prioriteit. Maar opnieuw is dit geen kunstbeleid, en zelfs geen museumbeleid. Jongereneducatie is niet primair de verantwoordelijkheid van musea. Het is de verantwoordelijkheid van het onderwijs en van de ouders. Deze eenzijdige nadruk leidt af van datgene waar het werkelijk om moet gaan: het ontwikkelen van een museaal beleid dat de vaste collectie tot uitgangspunt heeft, dat het profiel van het museum bepaalt, en dat erop is gericht om een volwassen publiek aan zich te binden.

De Raad wijst er ten slotte terecht op dat de afstand tussen het reguliere vakonderwijs, de voortgezette opleidingen en de werkplaatsen steeds problematischer wordt. Het is dringend noodzakelijk dat de overheid de uitholling van het eerstefase-onderwijs, gevolg van jarenlange bezuinigingen en van kwantitatief rendementsdenken, een halt toeroept. De basis waarop de vervolgopleidingen moeten bloeien staat op instorten.

Dossier Cultuurnota 2005 met de voorgaande Ongevraagde Adviezen uit het Cultureel Supplement:www.nrc.nl