Alstublieft geen Burka Barbies

Ebru Umar (1970), de vaste columniste op de website van Theo van Gogh, waardeert in Burka & Blahniks haar verzameling columns op tot manifest. Zij distantieert zich onmiddellijk van haar Turkse afkomst, al wordt ze door haar omgeving vaak geduwd in wat zij het allochtonaat noemt. Haar Turks-zijn beschouwt ze louter als een afgeleide van haar ouders en als een etiket op haar tas en haar broeken: `Made in Turkey'. Umar vindt `godsdienst an sich' achterlijk, burka's en chadors vrouwenmishandeling en imams synoniem met indoctrinatie. Door haar vijanden wordt ze, zo vertelt ze, een `lelijk Hirsi Ali-teefje' genoemd.

Nilgün Yerli (1969) daarentegen, wier autobiografische roman De garnalenpelster werd bekroond met de E. du Perronprijs, benadrukt met regelmaat in Mezelf geworden dat ze uit Turkije komt. Yerli wil een vreedzame coëxistentie en acceptatie van alle geloven en culturen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een column over haar huwelijk, dat gezamenlijk wordt ingezegd door een priester, een imam en een rabbijn en waarbij zowel het Engelse, het Turkse als het Nederlandse volkslied klinkt.

Wat ze delen is het autobiografische. `Mezelf', dat is Yerli's voornaamste thema, en dat geldt ook voor Umar, die worstelt met het single-bestaan als dertigster. Maar de toon waarop zij over zichzelf schrijven verschilt hemelsbreed. Yerli's proza is dat van het blije uitroepteken en betekenisvolle gedachtenpuntjes, terwijl Umars proza bol staat van zelfgenoegzame kapitalen – `UMAR FOR PRESIDENT!'. Yerli mag dan een prijzenswaardig optimistische visie op de wereld hebben, ze worden veelal verwoord in zalvende nietszeggende algemeenheden: `Ik ben voor een maatschappij van ons allemaal' en `Ouders zijn de enige twee mensen op aarde die onvoorwaardelijk van je houden'.

Yerli noch Umar is een literaire of origineel opiniërende hoogvlieger en je vraagt je regelmatig af waarom werkelijk álles, zonder enige kritische selectie, gebundeld moest worden. Maar vergeleken bij Mezelf geworden is Burka's & Blahniks een verademing. Want hoeveel van Yerli's kleine huiselijke geluk kan je verdragen? Haar kerst is `heerlijk', haar huwelijksreis is `zoet', herfst is haar `lievelingsseizoen' en haar fantasie is `rijk'. Met haar man koopt ze een espressomachine van het merk Jura, en dat doet ze in een winkel met een hele grappige naam, maar ach, de espressomachine is na twee maanden al stuk. En dan is er haar sprookjeshuwelijk: een perfecte eenheid die `ergens voor staat'. Prominente Nederlanders blijken ruimschoots vertegenwoordigd: Job Cohen, Huub Oosterhuis en haar vriendin Nebahat Albayrak. De ironie, zelfspot en humor, die je van een cabaretière zou verwachten, ontbreken. Vol oprechte verbazing is Yerli bovendien, als blijkt dat mensen er een andere mening op nahouden. `Het is frappant te zien hoe een ander iets leest en dat totaal anders kan interpreteren dan jijzelf.'

Umar daarentegen prikkelt, irriteert en provoceert. Umars columns zijn onder te verdelen in vier typen. Er zijn de Bitches Jones-columns, over Umars zoektocht als single dertigster naar de ideale man, geestige columns over haar Turkse afkomst en de vooroordelen waar ze tegen opbokst, flirterige open brieven aan de mannen die ze bewondert (Theo van Gogh, Theodor Holman) en aanvallen op de mannen die ze verafschuwt (Leon de Winter, Dyab Abou Jahjah). Liever dan met haar Turkse achtergrond (Burka's), identificeert Umar zich met typische westerse rolmodellen (Blahniks, trendy sandalen).

Met groot genoegen ontwaart ze parallellen tussen haar eigen leven en dat van Carrie uit de televisieserie Sex and the City. Umars ideale man heet niet Mr. Big maar Blonde God en ze vergelijkt haar leven met een soap. Maar, zo schrijft ze, Carrie tikt als professional, terwijl zij om therapeutische redenen schrijft. Het therapeutische gehalte van de bundel zit vooral in de `lieve moeder'-brieven, waarin de stampvoetende Umar transformeert tot een eenzaam, gevoelig meisje op zoek naar liefde, erkenning en acceptatie.

Die brieven vormen een aangename afwisseling met de veelal ronduit zwakke polemische columns, waarmee ze in de voetstappen van Theo van Gogh treedt. Umar speelt daarin voornamelijk op de persoon. Leon de Winter wordt niet op grond van de inhoud van zijn stukken afgeserveerd, maar omdat hij een pak draagt, in Bloemendaal woont en te sterk zou leunen op zijn joodse identiteit: `Waar Elatik zonder hoofddoekje op zou lossen in de massa, zou De Winter aan de beademingsapparatuur moeten als hem het joods-zijn ontnomen zou worden'; `Leon is joods – I rest my case'. Bij het tienjarig bestaan van de Nederlandse Moslim Omroep laat ze feestelijke felicitaties achterwege (`Wat doe ik eigenlijk hier, bij de moslimomroep?) en brandt ze opnieuw Fatima Elatik af, een `hysterische hittepetit' die een `burka niet zou misstaan' en die door de PvdA'ers wordt ingezet als `Wiedergutmachung'.

Bij een andere feestelijke gelegenheid gaat het haar beter af. Het dertigjarig bestaan van het feministische tijdschrift Lover koppelt ze aan haar eigen dertigersdip. Terwijl Lover klaagt over de afnemende belangstelling van feministische tijdschriften, klaagt de dertigster over haar aftakelend lichaam. Barbie is, aldus Umar, de schuld van deze ellende; door haar leggen we de lat te hoog. Vervolgens roept ze prompt `Übervrouw' Barbie uit tot de grondlegger van het feminisme, maar wijst ze er wel op dat het niet de bedoeling is dat meisjes een Burka Barbie prefereren boven een Ballerina Barbie. Zolang er burka's zijn, heeft het feminisme nog een lange weg te gaan. Gelukkig is Lover pas dertig, en Umar concludeert: `The best is yet to come'. Dat geldt hopelijk ook voor Umar zelf.

Ebru Umar: Burka & Blahniks. Manifest van een dertiger. Archipel, 157 blz. €14,95

Nilgün Yerli: Mezelf geworden. De Arbeiderspers, 238 blz. €12,50