VS maken onnodig vijanden in Irak

De Amerikanen stapelen fout op fout in Irak, vindt Ayub Nuri. De grootste blunder is dat ze een belangrijk deel van de samenleving hebben genegeerd.

Een jaar geleden werden de Amerikaanse troepen door het Iraakse volk verwelkomd. Ondanks alle gevaren van de oorlog kwamen de Irakezen uit hun huizen en klommen zij op hun daken om naar de Amerikaanse soldaten te zwaaien. Door het onderdrukkende bewind van Saddam Hussein waren er nog maar weinig Irakezen tegen de oorlog. De meerderheid wilde niets liever dan een oorlog die Saddam ten val zou brengen.

Door de Amerikaanse bezettingspolitiek is het aantal Irakezen dat de oorlog en zijn resultaten toejuicht, inmiddels sterk gedaald. De dood van dertien burgers vorig jaar mei in Falluja heeft een verzet ontketend dat sindsdien een hoge tol van het Amerikaanse leger heeft geeist. Deze mensen werden door de bezettingsmacht onmiddellijk ,,terroristen en aanhangers van Saddam Hussein'' genoemd. Het bewind van Saddam was omvergeworpen en hijzelf gevangengenomen, maar de VS verwezen nog maar al te graag naar deze vijand. Zo wilden ze de ruimte opvullen die was ontstaan door de afwezigheid van de massavernietigingswapens, de rechtvaardiging voor hun oorlog.

Eén grote fout van de Amerikanen heeft tot de huidige kritieke toestand geleid. Dat was de veronachtzaming van een belangrijk deel van de Iraakse maatschappij, plus de man waar ze op dit keerpunt in de Iraakse geschiedenis tegenaan lopen. Muqtada al-Sadr is een zoon van één van de hoogste shi'itische geestelijken, Muhammad Sadiq al-Sadr, die in 1999 werd vermoord door Saddams veiligheidsdiensten. De Amerikaanse bezettingsautoriteiten vormden in juli vorig jaar de Iraakse Bestuursraad (ICG) en benoemden 25 politici en partijleiders tot leden van deze Raad. Later vormden ze een kabinet van ministers, vrijwel uitsluitend en opzichtig bestaand uit broers, zoons of neven van de IGC-leden.

Muqtada al-Sadr werd bij de vorming van deze beide instellingen noch geraadpleegd noch erkend. Als reactie daarop organiseerde al-Sadr onmiddellijk zijn eigen militie (het Mahdi-leger) en benoemde zijn eigen regering. Muqtada al-Sadr zelf is jong, maar hij is de zoon van een geestelijke die evenzeer wordt vereerd als ayatollah Sistani, naar wie de Amerikaanse autoriteiten in Irak wel luisteren en die door hen wel ernstig wordt genomen.

De bezettingsmacht heeft onvoldoende oog of waardering gehad voor de kalme en vreedzame sfeer waarin de shi'itische leiders en hun achterban op hadden aangedrongen en die dankzij hen vanaf de val van Saddams bewind had kunnen bestaan. Van begin af aan heeft Muqtada al-Sadr steeds weer herhaald dat hij geweld tegen de bezettingsmacht niet op prijs stelde of aanmoedigde. Dit blijk van goede wil werd beantwoord met de arrestatie van al-Sadrs afgezant in Najaf en de plompverloren sluiting van zijn krant Al-Hawza.

Een van de factoren waardoor de Amerikaanse strijdkrachten konden afrekenen met de zogeheten `soennitische driehoek' was de shi'itische steun voor een machtswisseling in Irak. Maar het is heel moeilijk om een overtuigende en nette omschrijving te vinden voor het soort geweld en verzet dat op dit moment tegen de Amerikaanse strijdkrachten wordt gepleegd.

De shi'ieten zijn in opstand gekomen tegen de Amerikaanse aanwezigheid en vechten even hard als de soennieten in Falluja en Ramadi. Iedereen had verwacht dat de Amerikaanse autoriteiten een vreedzame oplossing zouden zoeken om de toestand onmiddellijk te kalmeren, nadat de shi'ieten erbij betrokken waren geraakt. Maar eens te meer hebben ze dezelfde fout gemaakt, ze hebben hun toevlucht tot geweld genomen, vertrouwend op hun tanks om het probleem op te lossen.

De aanhangers van Muqtada al-Sadr en de soennitische strijders vormen geen kleine groepen, zoals de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld de wereld wil doen geloven. Het zijn shi'itische en soennitische moslims die de bezetting van hun land verwerpen.

Denk eens aan alle verwachtingen die het Iraakse volk had over de wederopbouw van het land, het vinden van werk en het nieuwe leven na Saddam; en aan alle beloften die de Amerikaanse president de Irakezen heeft gedaan, waaronder bevrijding, wederopbouw en democratie. Het Amerikaanse leger gebruikt F16-gevechtsvliegtuigen en fragmentatiebommen tegen Iraakse burgers en belegert de Iraakse steden. Zware bombardementen waren niet wat het Iraakse volk van Amerika wilde.

Amerika is heel trots op zijn militaire macht, maar de Amerikanen moeten wel begrijpen dat het Iraakse volk daar niet van onder de indruk is. Wij hebben zoveel oorlogen meegemaakt. Wij zijn zo gewend aan bommen en doden. Bovendien, zijn de Amerikaanse autoriteiten soms vergeten dat elk huis in Irak minstens één vuurwapen bezit, met genoeg munitie voor de nabije toekomst?

Zoals we af en toe zien bij de veldslagen die op dit moment plaatsvinden, hebben veel families zware wapens. Wat is nu 150.000 Amerikaanse militairen tegenover de Iraakse bevolking van vele miljoenen? Een klein aantal Amerikaanse generaals en 19-jarige soldaten proberen het op te nemen tegen een zeer traditionele moslimbevolking. De meeste Amerikaanse militairen hebben geen idee waarvoor ze naar Irak zijn gekomen. Ze zijn gehersenspoeld met de woorden ,,bestrijding van het terrorisme en bevrijding van een land''.

Intussen horen we tal van geruchten over contracten voor miljoenen dollars die worden ondertekend door de Amerikaanse bewindvoerder Paul Bremer. Dit gebeurt terwijl er sinds 9 april 2003 niet één steen op een andere is gezet om Irak weer op te bouwen. Als de coalitietroepen echt gekomen waren om Irak weer op te bouwen, zou het door oorlog verscheurde Iraakse volk nooit hebben toegestaan dat er milities ontstonden die dat proces belemmeren.

Maar het Iraakse volk krijgt niet te horen wat er gebeurt in de Voorlopige Coalitie-Autoriteit (CPA) en de bestuursraad: welke overeenkomsten worden er getekend en met welke bedrijven? Over het hele land zijn militiegroepen als paddestoelen uit de grond geschoten: niet alleen het Mahdi-leger, maar ook de Iraakse mujahedeen, het leger van Mohammed, Ansar al Sunna (het Iraakse verzet) en nog een aantal onbekende groepen.

Veel Irakezen zijn gearresteerd wegens het dragen van lichte wapens als pistolen. Elders in het land zijn verscheidene kinderen doodgeschoten, omdat ze plastic speelgoedwapens op Amerikaanse militairen richtten. Door de misplaatste arrogantie van Iraakse adviseurs die bijna hun hele leven in het Westen hebben doorgebracht, raakte het Amerikaanse leger deze week verwikkeld in een gevecht waarbij ze uiteindelijk moesten onderhandelen.

De groep van Muqtada al-Sadr wordt omschreven als criminele aanhangers van Saddam, zoals de strijders in Falluja. Maar ik ben op beide plekken geweest en het zijn mensen die net als elke andere Irakees hoge verwachtingen over het naoorlogse Irak hadden. Wanneer is het nu ooit in de geschiedenis gebeurd dat een groepje boeven en gangsters het opnam tegen een sterk leger als dat van de VS? Boeven beroven banken en breken in bij supermarkten. Het Mahdileger van al-Sadr heeft net als de soennieten in Falluja duidelijk zijn geduld verloren, en ook het weinige vertrouwen dat het in de Amerikanen heeft. Dit doet vermoeden dat nog veel meer mensen zich bij hen zouden kunnen aansluiten.

Ik werd aangesproken door een jonge aanhanger van Muqtada al-Sadr die zei: ,,Het is aan Bush te danken dat we onze meningsverschillen met de soennieten terzijde schuiven en ons verenigen.'' Dat is een boodschap die inhoudt dat Amerika de soennieten niet meer als Saddam-getrouwen kan wegzetten, want de shiieten werden door hem stelselmatig uitgeroeid.

Muqtada al-Sadr wordt een bandiet genoemd, omdat hij een militie leidt. Maar er moet nog een ander verhaal worden verteld over de milities in Irak. Ahmed Chalabi, leider van het Iraakse Nationale Congres, Ayad Alawi van het Iraakse Nationale Akkoord en Abdul Aziz Hakim van de Opperste Raad voor de islamitische revolutie in Irak, zijn allemaal IGC-lid. Zij hebben altijd hun eigen militie gehad. Deze milities hebben zich aangesloten bij het nieuwe Iraakse leger, maar bij het minste gevaar voor hun eigen positie of zelfs in het geval dat de verkiezingen mislukken, zullen deze leiders hun milities meteen weer uit het Iraakse leger terugtrekken. Muqtada daarentegen heeft het land nooit verlaten. Hij is in elk geval niet twintig jaar van zijn leven – of nog langer – in het buitenland geweest. Hij wordt ervan beschuldigd dat hij op macht uit is. Maar wat is het anders dan de zucht naar macht en invloed die de IGC-leden heeft doen zwijgen bij alle misdaden die het Amerikaanse leger heeft begaan tegen het Iraakse volk?

Wil er in het Irak van na Saddam democratie ontstaan, dan moeten ook de mensen uit Falluja en Kufa actief zijn in de landspolitiek. Daarna kan een vrije verkiezing bepalen wie mag blijven en wie moet gaan.

Ayub Nuri, een Iraakse Koerd, is vertaler en journalist. Dit artikel is eerst verschenen in de lopende discussie over Irak op

www.opendemocracy.net.