Groot kenner van Homerus

Cornelis Jord Ruijgh, die afgelopen vrijdag plotseling op 73-jarige leeftijd overleed, was een internationaal vermaard Homerus-kenner. In de wereldliteratuur achtte hij de Ilias en Odyssee als epische gedichten onovertroffen. Maar zijn grootste interesse ging uit naar de taalkundige aspecten van het Homerus-dialect, met als hoogtepunt de monografie Autour de `te épique' uit 1971. In die studie van duizend bladzijden analyseerde Ruijgh het voorkomen van het woordje te bij Homerus.

Als student klassieke talen viel Kees Ruijgh met zijn neus in de boter. In 1952 werd het lettergreepschrift Lineair B ontcijferd. Het bleek een oud Grieks dialect te noteren, zoals dat was aangetroffen op kleitabletten uit de periode 1400-1200 v.Chr. Ruijgh wist de versvorm van het Homerische epos te koppelen aan het Myceense dialect. Homerus, zo concludeerde hij in zijn proefschrift uit 1957, hanteerde een verheven kunsttaal.

Als hoogleraar Oudgriekse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam had Ruijgh – erudiet kamergeleerde, sigaar bij de hand – een brede belangstelling. Taalkundige analyse, zo vond hij, vereiste ook beheersing van literaire aspecten. Hij schreef talloze artikelen, meestal in het Frans.

Ruijgh leefde alleen in zijn monumentale pand aan de Keizersgracht. Iedere zes weken ontving hij er de Hellenistenclub. Na zijn emeritaat in 1996 gingen die bijeenkomsten gewoon door. Ruijghs leerstoel werd wegbezuinigd, maar zijn werkkamer in het Seminarium voor klassieke filologie mocht hij aanhouden. Hij was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en tot 2001 voerde hij de hoofdredactie van Mnemosyne, tijdschrift voor klassieke studies.

Tijdens zijn hoogleraarschap zag Ruijgh de klassieke talen afkalven. Studenten kwamen met steeds minder bagage binnen, vond hij. Zelf las hij op school twaalf boeken van Homerus en voor zijn kandidaats de rest. Maar, zo klaagde hij, tegenwoordig kon je in de klassieke talen met hoofdvak archeologie afstuderen als je drie van de 48 gelezen had. ,,Vaak moet ik aan Albert Helmans De stille plantage denken'', zei Ruijgh me in 1998, ,,met dat wrange slot waarin de jungle opnieuw bezit neemt van verlaten cultuurland.''