Europese droom wordt nachtmerrie

Het heeft lang geduurd, maar Nederland lijkt eindelijk wakker te schrikken uit zijn Europese dromen. Het project van de geleidelijke Europese eenwording heeft nooit volksstammen op de been gebracht. Maar een zekere onverschilligheid – getuige bijvoorbeeld de lage opkomst bij verkiezingen voor het Europarlement – is inmiddels omgeslagen in een toenemend negatief sentiment. De oorzaak van deze omslag is drieledig.

Jarenlang overtroffen de ontvangsten uit Brussel – met name voor steun aan de boeren – onze afdrachten aan de Europese Unie. Dit is sinds een aantal jaren niet langer het geval. Volgens gangbare cijferopstellingen is ons land nu de lidstaat met de hoogste nettoafdracht per inwoner. Dat zit de kooplui uit de lage landen dwars. Bovendien blijkt steeds duidelijker dat de grote lidstaten het Europese project in dienst blijven stellen van nationale ambities. Bescherming van de eigen industrie krijgt nogal eens voorrang. Hoge posten worden bij voorkeur in onderonsjes tussen de groten verdeeld. Zulke onverholen manifestaties van blijvend nationalisme schieten federaal geïnspireerde dominees uit polderland in het verkeerde keelgat. Ten slotte is de glans van het Europese ideaal verdoft, doordat steeds beter voelbaar wordt dat regels uit Brussel het dagelijks bestaan en de economische bedrijvigheid tot in detail ringeloren.

In toenemende mate worstelen ook overheidsinstellingen met opgelegde beperkingen. Gemeenten kunnen soms geen industrieterrein of woonwijken aanleggen, omdat Europese richtlijnen zeldzame fauna beschermen. Nutsvoorzieningen moeten worden vermarkt. Net zo ziet de rijksoverheid haar armslag beperkt. De lidstaten van de Europese Unie proberen ten koste van elkaar nieuwe investeringen aan te trekken via allerlei fiscale faciliteiten en door het tarief van de winstbelasting te drukken. Om hun bemiddelde burgers vast te houden, zien zij zich gedwongen de belastingen op inkomen en vermogen te verlagen. Het toptarief van onze inkomstenbelasting is sinds het einde van de jaren tachtig verlaagd van 72 tot 52 procent. De vermogensbelasting is met ingang van 2001 afgeschaft.

Om hun onderlinge fiscale beleidsconcurrentie te reguleren, zouden de EU-lidstaten kunnen afspreken hun belastingen op inkomen, winst en vermogen in bepaalde mate te harmoniseren. Daar voelen ze echter niets voor. Alleen over aan particuliere spaarders uitbetaalde rente is na vele jaren van moeizame onderhandelingen een richtlijn tot stand gebracht. De meeste lidstaten gaan in de toekomst onderling informatie uitwisselen over rente die op hun grondgebied gevestigde instellingen heben vergoed aan inwoners uit andere lidstaten. Enkele lidstaten – die hun bankgeheim wilden sauveren – zullen in plaats daarvan een bronheffing invoeren op aan buitenlanders uitgekeerde rente. De opbrengst daarvan zullen ze, na inhouding van `vindersloon', grotendeels overmaken naar de lidstaten waar de rekeninghouders wonen. Overigens is nog steeds onzeker of dit alles doorgaat. Vereist is dat een reeks belastingparadijzen, waaronder Zwitserland en Liechtenstein, een vergelijkbare regeling invoert. Zo ver is het nog niet, omdat de Zwitsers blijven dwarsliggen.

Een vergelijkbare regeling voor andere vermogensopbrengsten, zoals dividenden en huurinkomsten, is niet aan de orde. De Europese Commissie wil haar vingers evenmin branden aan aansprekende voorstellen voor harmonisatie van de winstbelasting van vennootschappen. Zij weet dat de lidstaten hun fiscale soevereiniteit angstvallig beschermen. Deze terughoudendheid staat in schril contrast met de voortvarendheid die is betracht bij de omzetbelasting (BTW). Als uitvloeisel van Europese richtlijnen is haar grondslag verregaand geüniformeerd, en voor de tarieven zijn minimumpercentages vastgelegd. Het is nogal ironisch dat de grootste voortgang bij de harmonisatie van fiscale stelsels is geboekt bij een belasting met een relatief weinig mobiele grondslag: mensen zullen niet snel verhuizen omdat de BTW in buurlanden wat lager is.

Waar de wetgever zwijgt, wordt de rechter steeds vaker gevraagd te spreken. Het Europese Hof van Justitie beslist over een toenemend aantal belastingzaken, met grote gevolgen. In het geruchtmakende Bosal-arrest werd Nederland op de vingers getikt omdat het geen renteaftrek toestond voor leningen waarvan de opbrengst wordt gebruikt voor de financiering van buitenlandse deelnemingen. De schade van dit ene arrest voor de Nederlandse schatkist bedraagt blijvend ongeveer 1 miljard euro per jaar! Inmiddels heeft het Hof een ander arrest gewezen dat het einde aankondigt van de Nederlandse emigratieheffing. Wie emigreert krijgt een aanslag, die niet meteen wordt geïnd. Met die `conserverende' aanslag wil de fiscus voorkomen dat emigranten in het buitenland de aandelen in hun besloten vennootschap belastingvrij verkopen of pensioenrechten te gelde maken zonder daarover de verschuldigde belasting te betalen.

Wie tijdens zijn actieve periode in Nederland forse premies aftrekt tegen ons toptarief van 52 procent, kan door deze beslissing van de Europese rechter straks hoogstwaarschijnlijk belastingvrij pensioen genieten in het buitenland en zijn aandelenpakket heffingsvrij van de hand doen. Het Hof heeft een met de Nederlandse min of meer vergelijkbare Franse emigratieheffing namelijk ongeldig verklaard, omdat zij de vrijheid van vestiging beperkt.

Bij de lopende onderhandelingen over de Europese grondwet maakt Nederland zich sterk voor een vetorecht bij het vaststellen van de begroting van de Europese Unie. Misschien nog veel belangrijker is dat die toekomstige grondwet toestaat dat lidstaten hun belastinggrondslag beschermen. Anders draait de Europese droom voor nog meer belanghebbende burgers op een nachtmerrie uit.