Concertgebouw-orkest lijdt onder medezeggenschap

Nederlandse musici hebben te veel te zeggen over wie hun dirigent is, vindt Melvyn Krauss. Het publiek telt onvoldoende mee.

Met een reeks opera-uitvoeringen en een afscheidsconcert zal Riccardo Chailly in juni afscheid nemen van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) na 16 jaar als muzikaal leider en chef-dirigent. Het is geen vriendschappelijke scheiding, al lijken beide partijen vastbesloten een zo vrolijk mogelijk gezicht te trekken.

Chailly is nu de tweede chef-dirigent die het orkest onder onaangename omstandigheden verlaat. Na een veel akeliger en persoonlijker geschil dan dit verliet Bernard Haitink halverwege de jaren '80 het orkest na 28 jaar aan het roer te hebben gestaan (Haitink en het Concertgebouworkest hebben zich weer helemaal verzoend en de grote Nederlandse maestro treedt weer regelmatig op met het orkest).

Volgens sommigen waren deze scheidingen onvermijdelijk en misschien zelfs wel gezond, in die zin dat het na een lange en vruchtbare samenwerking heel natuurlijk was dat beide partijen genoeg van elkaar kregen en elders op zoek gingen naar inspiratie en nieuwe stimulansen.

Maar in werkelijkheid waren beide scheidingen te vermijden geweest, en ze vormen een enorme verspilling, nu tot tweemaal toe een uiterst vruchtbare samenwerking tussen dirigent en orkest voortijdig is beëindigd, tegen enorme kosten voor de Nederlandse muziekliefhebbers en belastingbetalers. Verantwoordelijk voor deze verspilling is de `medezeggenschap'. Nederlandse musici hebben gewoon te veel te zeggen over de beslissing wie hun dirigent is.

Eén ding is duidelijk: wat de orkestleden ook van Chailly mogen vinden – en afgaand op een aantal interviews lopen de meningen zeer sterk uiteen – zelden heeft het Concertgebouworkest beter geklonken. Het is een fabelachtig orkest, dat ook alom als zodanig wordt beschouwd. Dit is voor een aanzienlijk deel te danken aan de chef-dirigent.

Dus wat geeft het dat die paar orkestleden Chailly niet goed genoeg voor hen vinden, ook al dient te worden opgemerkt dat Chailly de meesten van hen heeft aangenomen? Minstens evenzeer telt wat het publiek en de belastingbetalers vinden – zij betalen de rekening en zij behoren ook een belangrijke stem te hebben. Maar in zaken met zulke gevolgen als de keuze van de orkestdirigent staat het publiek feitelijk buiten spel in dit sociaal-democratische land. Als dit al democratie is, dan is het in elk geval een onevenwichtig soort democratie.

De kern van de zaak is dat musici – zelfs uitmuntende musici – vaak onbetrouwbare opvattingen hebben over degenen die hen leiden. Een musicus in een Amerikaans toporkest vertelde me onlangs over een vriend van hem die speelde in de Berliner Philharmoniker. De Amerikaan uitte toen zijn bewondering voor de toenmalige dirigent van de Berliner, Herbert von Karajan. ,,Ben je mal! Karajan kan niet dirigeren!'' Hoewel de violist mij werd beschreven als een bijzonder musicus en een bedachtzaam persoon, was hij oprecht van mening dat een van de grootste dirigenten van na de oorlog, ,,niet kon dirigeren''.

Natuurlijk kan het gebeuren in relaties die een hele lange tijd duren, dat er kleine frustraties en grieven opkomen, ook wederzijds. Bovendien kunnen er structurele factoren optreden waardoor dirigent en orkest uit elkaar gedreven kunnen worden. In de loop van de tijd, als de maestro ouder wordt, wordt het orkest almaar jonger doordat ouderen worden vervangen door jongeren. Deze generatiekloof wordt op den duur steeds groter en kan een bron van spanningen worden en een bron van gebrek aan begrip tussen partijen.

Ook al is een scheiding dus niet onvermijdelijk, de druk tot een scheiding lijkt dat wel te zijn. Daarom moeten ook andere belanghebbenden bij de uitkomst van geschillen een stem in de besluitvorming hebben. In meer kapitalistische landen kan de kaartverkoop de musici in het gareel houden. Maar in sociaal-democratische landen waar de kunsten zwaar worden gesubsidieerd, is de kaartverkoop minder belangrijk. Daardoor kunnen musici gemakkelijker toegeven aan hun kleine frustraties en grieven.

En dat is precies wat er in Amsterdam is gebeurd. Hoewel Chailly een verlenging van zijn contract kreeg aangeboden, wees hij dit af. Misschien was de relatie niet meer te redden. Maar als het publiek dat al die jaren zo van zijn Amsterdamse concerten heeft genoten, bij de onderhandelingen betrokken was geweest en een formele stem in de uitkomst had gehad, zouden we in juni misschien de voortzetting van een vruchtbare samenwerking tussen dirigent en orkest hebben gevierd, in plaats van het voortijdige einde te betreuren.

Melvyn Krauss is verbonden aan het Hoover-instituut van de Stanford-universiteit.