Steunbeleid voor Europese industrie

De Europese Commissie wil met gericht beleid de industrie in de Europese Unie versterken. Ook het mededingsbeleid moet hierin een belangrijke rol spelen. Economische criteria zullen bij de beoordeling van bedrijfsallianties en staatssteun een zwaarder accent krijgen.

,,Er is werkelijke bezorgheid over het risico dat de EU wordt geconfronteerd met een proces van deïndustrialisering'', aldus de Europese Commissie. De Commissarissen Liikanen (Bedrijven) en Monti (Mededinging) reageerden gisteren met nieuwe beleidsdocumenten op de wens van de Europese regeringsleiders.

Liikanen en Monti willen vooral reeds ingezet beleid aanscherpen. Volgens Liikanen zijn drie soorten acties nodig om de Europese industrie te versterken. De administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven moet omlaag.

Het komende Nederlandse EU-voorzitterschap heeft dit al tot beleidsprioriteit verklaard. Liikanen wijst erop dat na consultatie van de chemische sector de omstreden voorstellen voor nieuwe regelgeving voor chemische stoffen werdem aangepast, wat overigens weer tot protest van de milieubeweging leidde.

Liikanen wil veel meer geld voor onderzoek & ontwikkeling en scholing, waarbij miljarden uit regionale en structuurfondsen meer worden gericht op de `Lissabon-doelstelling' de Europese economie tot de meest dynamische te maken. Voor sectoren als farmaceutica, luchtvaart en textiel en scheepsbouw zijn al initiatieven genomen. Volgens Liikanen kan de EU-uitbreiding ,,helpen om productie in de EU te houden, die anders naar Azië zou zijn gegaan''.

Monti wil bij de beoordeling van bedrijfsfusies, bedrijfsallianties en staatssteun een meer ,,economische benadering'' kiezen. Eerder gaf hij al aangegeven dat efficiencywinst in de beoordeling van allianties een belangrijke rol speelt. Monti spreekt nu van `pro-actief' mededingingsbeleid. Hij wijst erop dat administratieve verplichtingen voor het midden- en kleinbedrijf worden veminderd, omdat zij wegens hun kleine marktaandelen allianties niet hoeven te melden en zich alleen aan algemene regels (`safe harbours') hoeven te houden. Ook wordt de samenwerking van bedrijven vergemakkelijkt als die is gericht op bijvoorbeeld technologie-overdracht.

Monti waarschuwt voor pleidooien, met name in Frankrijk en Duitsland, voor `nationale kampioenen' om de internationale concurrentie aan te gaan. ,,Dit moet wel in een competitieve omgeving gebeuren.''