`Regenteske' De Graaf wekt veel irritatie

Minister De Graaf is in een politieke loopgravenstrijd terechtgekomen over het nieuwe kiesstelsel. Hij denkt nog maar aan één model: het zijne.

Het nieuwe kiesstelsel is een politieke `rotzak', zeggen ze in het kabinet. Eerst vochten de CDA-bewindslieden al onder aanvoering van minister Donner (Justitie) in de ministerraad met de verantwoordelijk minister De Graaf (Bestuurlijke Vernieuwing, D66). Maar daaruit kwam nog een concreet voorstel op hoofdlijnen, dat De Graaf nu - ook volgens zijn tegenstanders - gloedvol en met overtuiging verdedigt.

Alleen helpt hem dat niet. Nu raakt De Graaf in de Tweede Kamer in een politieke loopgravenstrijd verwikkeld waaruit de uitweg steeds minder voorspelbaar wordt.

Hij krijgt ervan langs van de voltallige oppositie én de regeringspartijen CDA en VVD. Alleen zijn eigen D66 steunt De Graaf voluit. Dat is zes zetels, houden zijn critici De Graaf smalend voor.

De suggestie: De Graaf neemt als vertegenwoordiger van een kleine minderheid alle andere partijen in de houdgreep. En dat hoort niet, vinden zij, bij zo'n ingrijpend onderwerp als een wijziging van het functioneren van de democratie: de manier waarop de kiezer vanaf 2007 de volksvertegenwoordiging in de Tweede Kamer kiest.

Maar het kán, omdat De Graaf kan schermen met het regeerakkoord, waarin CDA, VVD en D66 hebben afgesproken dat er nog deze kabinetsperiode een nieuw kiesstelsel komt. Welk model dan ook, als het maar voldoet aan het doel: een nauwere band tussen kiezer en gekozene. Maar De Graaf, zo luidt het verwijt, denkt maar aan één model: het zijne.

Gisteren stelden de fractiespecialisten van CDA, VVD, PvdA, De Graaf een clash in het vooruitzicht. Aanleiding is een brief waarin De Graaf deze week op verzoek van de Kamer alternatieven voor zijn eigen voorstellen uitwerkt. De Kamerfracties verwachtten dat deze brief de concrete gevolgen zou bevatten van alternatieve kiesstelsels die zij zelf onlangs in de Kamer voorgesteld hebben. De meeste van die alternatieven wijken op fundamentele punten af van de voorstellen van De Graaf. Maar De Graaf beperkt zich hoofdzakelijk tot het herhalen en toelichten van zijn afwegingen om níet voor die alternatieven te kiezen. Hij betoogt vooral nog eens waarom zijn eigen voorstel het beste is.

Die opstelling wekt groeiende irritatie in de Kamer. ,,Regentesk'' (PvdA), ,,arrogant'' (VVD), ,,erg `zunig''' (CDA), dat is de minister in hun ogen. De Graaf is daarover op zijn beurt weer geïrriteerd. Hij meent dat de partijen vooral aan hun eigen belangen denken, terwijl het debat moet gaan over de argumenten die aan zijn voorstellen ten grondslag liggen.

Het kabinet heeft volgens De Graaf een evenwichtig plan. De kiezer krijgt in 2007 twee stemmen. Hoe groot de fracties van de partijen in de Kamer worden, blijft bepaald door de landelijke stem. Daarnaast krijgt de kiezer een tweede stem, om te bepalen wie er namens het eigen discrict ín die fracties komen. De Graaf probeert de Kamer ervan te overtuigen dat zijn model voor zowel kleinere als grotere partijen voordeel heeft. Geen fractie wordt er kleiner of groter van, en iedere partij kan meeprofiteren van de extra band met de kiezer in de regio, betoogt hij. De sleutel daartoe is volgens De Graaf een indeling in 20 districten met elk, naar gelang het aantal inwoners, twee tot zes regio-afgevaardigden.

Maar dat verhaal overtuigt in de Kamer alleen D66. De andere kleine partijen vrezen dat zij hoe dan ook toch de dupe zullen worden. De gevolgen van het gedwongen meedoen in de regio achten zij ongewis. Óf ze boeken succes in sommige regio's, maar ze weten niet waar, dus wordt de samenstelling van hun fracties onvoorspelbaar. Of ze blijven afzijdig in de districten, waardoor de grote partijen alle voordelen van de nieuwe regio-afgevaardigden krijgen.

De grote partijen zien wel voordelen in een tweede stem voor de regio. Vooral CDA en PvdA. Beide partijen hebben modellen ontwikkeld waarin volgens De Graaf vooral zijzelf relatief meer profiteren. Dat kan door het aantal districten te vergroten en daaruit één vertegenwoordiger te laten kiezen, doorgaans van de relatief grootste partij. CDA en PvdA vinden dat vooral spannender, zeggen zij. De VVD voelt er minder voor, en zoekt nog naar eigen ideeën.

In deze wirwar van ideeën en belangen lijkt consensus per definitie ver weg. De partijen hebben de laatste maanden veel overlegd, maar zijn niet tot elkaar gekomen. Ook CDA en PvdA liggen ver uit elkaar. De christen-democraten willen met 30 districten het aantal regionale Kamerleden veel kleiner houden dan de PvdA (75).

De Graaf ziet in deze verdeeldheid een extra argument om vast te houden aan zijn eigen plannen. Hij vreest dat de alternatieven van de partijen ook dienen ter vertraging. Dat zou, gezien de tijd die nodig is om de wetswijziging nog vóór 2007 door te voeren zoals in het regeerakkoord staat, fataal kunnen zijn voor zijn plannen.

De vrees in de Kamer is, zoals CDA-Kamerlid Spies het zegt, dat De Graaf straks bij de behandeling van het concrete wetsvoorstel bij ingrijpende wijzigingen vanuit de Kamer zal zeggen: daarvoor is nieuw advies van de Raad van State nodig, dat kost te veel tijd, dat kan niet meer. Daarom willen de partijen nú concessies, en is het kiesstelsel een politiek probleem geworden terwijl het debat nog maar over hoofdlijnen gaat.