Het verkeerde leiderschap

New York. Had u dan liever gewild dat Saddam Hussein nog ongestoord in Bagdad troonde, dat daar gewoon verder gemarteld, verkracht en gemoord werd, terwijl het Westen en de Verenigde Naties met al hun vrome praatjes werkeloos toekeken?

Dat is de vraag waarmee de voorstanders van de oorlog overal in het Westen de tegenstanders de genadeklap willen toebrengen, de shock and awe van het steeds heftiger wordende debat. De tegenvraag luidt dan of het deze oorlog waard is, één van de onguurste dictators van deze tijd te verwijderen.

Of dit resultaat opweegt tegen de andere gevolgen, als daar zijn: de 700 gesneuvelde soldaten van de Coalitie, de omstreeks 10.000 levens van Iraakse burgers plus nog een paar duizend Iraakse soldaten. Dit terwijl er geen uitzicht is op het einde van de strijd. En dan als collateral damage: de politieke ruïne in het Westen, de groeiende haat in de Arabische wereld, en als er geen wonderbaarlijke omslag komt, de splitsing van Amerika in de aanstaande verbitterde verkiezingsstrijd.

Op beide vragen kan geen antwoord worden gegeven. Ze impliceren dat de geschiedenis kan worden teruggedraaid, alles ongedaan gemaakt en dat er dan kan worden gekozen tussen wat de toekomst zou serveren. Dat er een zo grote verbittering uit groeit, komt doordat er tegelijkertijd een schuldvraag mee wordt gesteld. En juist het antwoord daarop kan de grootste politieke betekenis hebben. Want wie schuld draagt aan een verkeerde gang van zaken, is het niet waard nog langer verantwoordelijkheid voor de toekomst te dragen, of het nu om de directeur van een supermarkt gaat, of om iemand die zijn roeping tot de hervorming van de wereld probeert te volgen. Nobele bedoelingen alleen zijn niet goed genoeg.

In het geval van Irak gaat het dan om deze vraag: kan een goede oorlog op de verkeerde manier worden gevoerd? Dat fundamentele probleem van deze dagen wordt aan de orde gesteld door Paul Berman, deskundige van internationale faam en schrijver van het boek Terror and liberalism.

Deze oorlog, zo begint hij, kan zich nog gunstig ontwikkelen, of in een ramp eindigen, maar hoe dan ook, hij maakt deel uit van de veel groter oorlog tegen het terrorisme, een krachtmeting die al een jaar of vijfentwintig aan de gang is.

Het uiteindelijk doel van het terrorisme is het herstel van het oude islamitisch kalifaat dat door een samenzwering van joden, vrijmetselaars, kruisvaarders en westerlingen ten onder is gegaan. In moderne termen beschreven, streeft de terreur naar de vestiging van een fascistische theocratie. Dat zouden voor- én tegenstanders van de oorlog moeten erkennen. En nu zouden in het bijzonder de Amerikaanse Democraten de discussie niet moeten laten vastlopen in de rol van de Verenigde Naties en de stabiliteit in Irak. Het gaat om iets veel groters: de solidariteit en de weerbaarheid van de westerse democratieën tegen deze doodsvijand.

Dan maakt hij een inventarisatie van de fouten die deze en vorige Amerikaanse regeringen hebben gemaakt. Vaak zijn ze ,,cynisch en wreed geweest in hun pogingen, dictaturen tegen elkaar uit te spelen''. En de invasie en bezetting van Irak hebben zich voltrokken in een ,,eigenaardige combinatie van hysterie en schrielheid''. Het is verleidelijk te concluderen dat het beter was geweest, helemaal niet aan die onderneming te beginnen – en misschien zal dat ook nog blijken. Maar, gaat Berman verder, tegelijkertijd is enorme voortgang gemaakt bij het opsporen van massavernietigingswapens en de handel in materiaal daarvoor, in de hele regio. Daarvoor heeft deze oorlog gediend.

Dan komt hij tot zijn dilemma. Voor president Bush en zijn omgeving, voor de manier waarop ze Irak nu behandelen, heeft hij geen goed woord over. Ze kunnen het niet. ,,Amerika heeft bondgenoten en leiders nodig. Alleen de Democraten kunnen de waardevolle oorlog van Bush winnen.'' Hij heeft zijn geclausuleerde hoop gevestigd op John Kerry.

Ziehier het grote vraagstuk eens van een andere kant bekeken. Berman doet een beroep op de intellectuele eerlijkheid, van links zowel als van rechts. Erken dat het fundamentalistisch terrorisme niets anders is dan fascisme in moslimkleren. Erken dat de als vaderlandsliefde vermomde zelfoverschatting nu alleen groter chaos belooft. Dit is niet een zaak waarover de partijen elkaar naar de strot moeten vliegen; het is een levensbelang voor het hele liberale Westen. Het is goed gedacht, mooi gezegd en ik ben het ermee eens. Maar in werkelijkheid gaat het de andere kant op.

In hoopvolle westerse kringen wordt veel gesproken over het belang van de `gematigde moslims'. Die zijn er ongetwijfeld in grote massa's. Maar kunnen hun leiders gesprekspartners zijn voor die van het Westen, als de aanvoerder van de westelijke leiders te kennen geeft dat hij de wereld wil herbouwen, en dan zo'n slordige oorlog annex wederopbouw voor zijn rekening neemt, zodat daaruit het tegendeel ontstaat? Als hij dan, op de koop toe als groot staatsman wil worden herkozen?

In een vraaggesprek met Le Monde zei de Egyptische president Mubarak dat de Amerikanen in de Arabische wereld nog nooit zo gehaat zijn. Door de fundamentalisten? De gematigden? Waar zijn die gebleven? Wie zal het nog zeggen. Zojuist is Bob Woodwards nieuwe boek Plan of Attack verschenen; een meeslepend verhaal over misleiding, onderling wantrouwen en gewone vergissingen. Dat gaat dus niet over het grote doel van de oorlog, maar over de toestand in Washington. Richard A. Clarke heeft in zijn Against All Enemies al het een en ander onthuld over wat mis is gegaan bij de veiligheidsdiensten. Er is een oorlog in Irak, maar in Amerika zelf is ook een oorlog in voorspoedige ontwikkeling.

Afgelopen zondag was John Kerry, de tegenkandidaat van Bush, in het programma Meet the Press. Op zichzelf was het al een opluchting, iemand te zien en te horen zonder de voorgebakken patriottenretoriek; een ernstig man die het hele uur de overtuiging gaf dat hij bij ieder onderwerp goed wist waarover hij het had. Een politicus zonder opsmuk. ,,Let's get the poison out of the well'', zei hij in de loop van het interview. Dat is nu het probleem. Niet meer de misleidingen en de overspannen retoriek die een steeds groter deel van de wereld tegen Amerika in het harnas jaagt.