Guus

Marianne, onze vriendin in de Bijlmer, is bedroefd. Zij houdt te veel van zwerfkatten, dat is eigenlijk haar probleem.

In de Bijlmer wemelt het van de zwerfkatten. Alleen al rond haar flatgebouw heeft ze er de laatste jaren negen gevangen, waarvan ze er vier thuis heeft opgenomen. Ze doet dat werk samen met Ronald van de Stichting Hart voor Kansloze Dieren. Met die vier katten (twee poezen, twee katers) op haar flat gaat het uitstekend, zegt ze, ze liggen regelmatig met hun vieren tegen elkaar aan te slapen, geen kat taalt meer naar de buitenwereld. Ze zijn `handtam' geworden, zoals ze het met een mooi woord noemt.

Maar het loopt niet altijd goed af. Vorig jaar zomer kwam Guus in het leven van Marianne. Guus was een stevige, roodwitte kater die op een smalle groenstrook langs het spoor leefde. Waarvan? Vermoedelijk van ratten die daar in overvloed zijn. Een prachtkat, die Guus, maar reuze schuw.

Marianne bracht hem elke dag eten dat hij gretig opschrokte zodra ze weg was. Ze begon het eten in een grote, kartonnen doos te zetten om hem alvast te laten wennen aan de kooi waarin ze hem wilde vangen.

Waarom zo'n dier vangen, Marianne, wil ik weten, je kunt hem toch ook de vrijheid laten? Omdat het leven van zwerfkatten een tragedie is, zegt ze. Het ziet er idyllisch uit, zo'n kat die in het groen ligt te slapen, maar de meeste katten krijgen de vreselijkste ziektes, ze worden zelden oud.

Goed. Guus moest er dus aan geloven. Op een middag klapte de deur van de vangkooi achter hem dicht. Marianne bracht het dier meteen naar de dierenartspraktijk waar Ronald werkt. Daar kan ze niet genoeg op hameren: katten moeten altijd getest worden op ongeneselijke ziektes als aids en leucose voor je ze in huis opneemt. Ook katten uit asiels. Het gevaar dat ze thuis andere katten besmetten, is te groot.

Met Guus leek niets aan de hand. Hij zag er gezond en sterk uit. Des te verpletterender was het telefoontje van de dierenarts: Guus, een gecastreerde kater van ongeveer 4,5 jaar, bleek besmet met leucose, een virus dat tumoren en/of leukemie kan veroorzaken.

Marianne was geschokt. Ze had zich al zó verheugd op de komst van Guus. Alleen Henk, haar man, moest nog worden overgehaald, want die vindt dat ze nu wel genoeg katten hebben. Een zwerfkat tot huisdier maken, dat is alsof zich onder jouw handen een wonder voltrekt, zegt Marianne. (In een volgend leven wil ik als zwerfkat in de Bijlmer terugkeren, waarna ik me na een losbandig leventje door Marianne laat vangen en verwennen.)

Maar met Guus mocht het niet lukken. Er restten Marianne drie onaangename keuzemogelijkheden: terug naar zijn groenstrook; toch thuis opnemen tot zijn dood en de andere katten laten inenten; het finale spuitje.

Ze besloot met pijn in het hart tot het laatste. Maar ze ervoer het als een soort verraad aan Guus. Misschien had hij nog een poosje rustig kunnen leven als ze hem niet gevangen had. Maar terugzetten in de natuur leek geen alternatief, hij zou er andere dieren besmetten.

Ik heb verloren van de natuur, zegt Marianne.