Zielige zelfmoordterrorist

Er is een sardonisch liedje van de Amerikaanse zanger Randy Newman uit de late jaren '70 over een zakenman die zich na jaren maatschappelijk bewust tobben eindelijk heeft bevrijd van schuldgevoel over de ellende in de wereld en die nu gewoon hartstochtelijk voor het grote geld gaat.

Vroeger, zingt Newman met zijn kenmerkende schraapstem op pianobegeleiding, ,,vroeger maakte ik me zorgen over de hongerende kindjes in India... Weet je wat ik nu zeg, over de hongerende kindjes in India? Ow, mama...''

`It's money that I love' is een typisch Randy Newman-nummer: satirisch en sarcastisch. Maar behalve dat het een ode brengt aan de hebzucht, zegt het liedje op een ironische manier ook iets over de kracht van het cynisme, of, vriendelijker gezegd, van de weigering zich te laten aanpraten dat de ellende in de wereld als een loden last hoort te drukken op wie het beter heeft. Want weet je wat ik nu zeg, over de ellende in de wereld die als een loden last hoort te drukken op iedereen die het beter heeft? Ah, gossie...

Het nummer van Newman klonk onwillekeurig op de achtergrond toen vorige weekVVD-fractieleider Jozias van Aartsen ten strijde trok tegen de vergoelijkende opvatting dat het terrorisme waarmee de wereld sinds 2001 wordt geconfronteerd veroorzaakt wordt door armoede of ander onrecht. De aanval van Van Aartsen was gericht tegen premier Balkenende, die `vergoelijkende' opmerkingen had gemaakt over de achtergronden van het moderne terrorisme. Balkenende beet voor zijn doen ongebruikelijk fel van zich af – hij had immers nog in New York expliciet gezegd dat wantoestanden in de wereld nooit mogen dienen om terreur te rechtvaardigen – en Van Aartsen stond alleen.

Toch had de interventie van de VVD-voorman wat nadere aandacht verdiend. Van Aartsen meende namelijk dat wie de `voedingsbodem' voor terrorisme aankaart – zoals premier Balkenende volgens hem had gedaan – zich daarmee schuldig maakt aan het `vergoelijken' van terrorisme.

Over de logica van die redenering kunnen we kort zijn. Die is vals, zoals de filosoof Ger Groot zaterdag in Opinie & Debat heeft uitgelegd. Een verschijnsel proberen te verklaren – of het gaat om terrorisme, jeugdmisdaad, armoede of wat dan ook – is nog heel wat anders dan het goedpraten. Wie de haperende democratie, de hyperinflatie en massawerkloosheid in de Weimar-republiek ziet als factoren die de opkomst van Hitler verklaren, die is ook niet bezig met het `goedpraten' van het nazisme. Anders kunnen we de geschiedwetenschap net zo goed opdoeken, als een perfide bolwerk van vergoelijkers en collaborateurs.

Maar behalve die onlogische zelfcensuur kleeft er een ander, eigentijds nadeel aan de benadering van Van Aartsen. In zijn afkeer van `voedingsbodemtheorieën' die ons tot zelfhaat en schuldgevoel zouden dwingen, blijft hij namelijk ondanks alles schatplichtig aan het moralisme van de verfoeide linkse kerk die grossierde in zulke opvattingen. Hij beweert inhoudelijk dan wel het omgekeerde, maar het moralisme is hetzelfde. Vroeger mócht je terroristen niet veroordelen, nu mág je ze niet proberen te verklaren.

Van Aartsens aanval op Balkenende lijkt zo mede ingegeven door het verlangen van de VVD om af te rekenen met het in Nederland volgens deze partij kennelijk nog steeds heersende idee dat we in de grote wereld te maken hebben met `zielige' mensen. Minister Rita Verdonk heeft ons kort geleden al uitgelegd dat afgewezen asielzoekers niet `zielig' zijn, en dat we ons geweten dus niet hoeven te belasten met hun uitzetting. Nu komt haar fractieleider ons nog eens uitleggen dat ook terroristen niet voor dat meelijwekkende predikaat in aanmerking komen.

Maar waar hebben we het over? Wie heeft eigenlijk na de recente schrikbarende dreun in Madrid beweerd dat we terroristen niks kwalijk mogen nemen, omdat ze zo zielig en gedepriveerd zijn?

Nu is er over het moderne terrorisme van alles en nog wat beweerd – dat het een oprisping zou zijn van de Middeleeuwen of een afwijzing van de moderne wereld – maar inmiddels is het begrip (in verklarende zin) van deze terreur wel degelijk iets opgeschoten.

Het lijkt bijvoorbeeld zinvol om onderscheid te maken tussen het zelfmoordterrorisme van Palestijnen die een nationale staat bevechten, en dat van Al-Qaeda, dat een transnationaal religieus utopia najaagt. Dat zijn verschillende zaken, hoezeer het jargon ook vergelijkbaar is, en ook al wordt het ene conflict uiteraard om propagandistische redenen ingezet als voedingsbodem voor het andere.

Ook onderzoek naar de haperende modernisering, onvrijheid en achterstand op kennisgebied van de Arabische naties werpt licht op de conflictstof die een rol speelt in de opkomst van het terrorisme in die regio. En nog iets anders: waarom zouden we het pleidooi voor een ingrijpende democratisering van het Midden-Oosten eigenlijk omarmen, als we niet mogen denken dat daarmee ook een voedingsbodem van het terrorisme wordt verwijderd? Dat is in elk geval het idee achter de Amerikaanse bezetting van Irak, een onderneming die zowel een voedingsbodem lijkt te vormen voor geloof in de toekomst (de meeste Irakezen vinden dat hun land er nu beter aan toe is dan onder Saddam) als één voor nieuw verzet en terrorisme. Hier zien we dagelijks een voedingsbodemtheorie in werking, for better or for worse.

Het moralistische schimmenspel over `vergoelijken' en `voedingsbodems' staat een nuchtere analyse en een waakzame opstelling – waar juist de VVD zich sterk voor zegt te maken – eerder in de weg dan dat ze die bevordert. Van Aartsen beseft dat natuurlijk ook wel, want hij vermeldde uitdrukkelijk dat de verklaring van terrorisme uit factoren als armoede niet deugt, gezien de relatief hoog opgeleide achtergrond van de daders van 11 september. Dat betekent niet dat er geen `voedingsbodem' is, alleen dat we die elders moeten zoeken, bijvoorbeeld in de gefnuikte superioriteit, stagnatie en vernedering van de Arabische wereld, en dan vooral bij geschoolde, maar kansloze jonge mannen uit de middenklasse.

Inderdaad, het is geen geruststellend idee dat de daders van New York, Washington en Madrid grotendeels afkomstig waren uit moderne, geschoolde en verwesterde milieus – integendeel.