Raad voor Cultuur passeert staatssecretaris

Gisteren presenteerde de Raad voor Cultuur zijn Advies Cultuurnota aan staatssecretaris Medy van der Laan. De Raad is zijn eigen weg gegaan en voorbijgegaan aan het beleid dat de staatssecretaris vorig jaar had uitgezet.

,,Voor het geld dat u beschikbaar heeft, kunt u dit kopen.'' Met die woorden overhandigde Winnie Sorgdrager, voorzitter van de Raad voor Cultuur gisteren de de Advies Cultuurnota 2005-2008 aan Medy van der Laan, staatssecretaris van Cultuur. De staatssecretaris moet de komende maanden beslissen in hoeverre zij de adviezen van haar belangrijkste adviesorgaan gaat overnemen. Het woord van Thorbecke wil dat de politiek geen inhoudelijke bemoeienis met de kunst heeft, maar de staatssecretaris is niettemin vrij om zich te laten gelden en eigen keuzes te maken. Er is dus nog hoop voor de instellingen die niet zijn opgenomen in de eredivisie van het subsidiestelsel. Andersom past bij de positief gehonoreerde subsidievragers gematigd optimisme.

Argwaan en scepsis is geboden, want de Raad is in alle opzichten voorbij gegaan aan de prioriteiten die de staatsecretaris vorig voorjaar in haar beleidsnotitie Meer dan de som en in publieke uitspraken heeft vastgelegd. Van der Laan wilde de onrust vermijden die haar voorgangers in de kunstwereld veroorzaakten met persoonlijke eisen (zoals culturele diversiteit, een vast percentage Nederlands product). Kwaliteit was het uitgangspunt. Maar daarbij vroeg ze uitdrukkelijk om drie dingen: heldere keuzes, desnoods harde ingrepen, om versnippering en doublures tegen te gaan; meer bezuinigen op cultuurondersteunende dan op -producerende instellingen en regionale spreiding van cultuur met gerichte inzet op kernfuncties voor steden. De raad heeft die punten van tafel geveegd.

,,Een enkele keer is het noodzakelijk gebleken de kaasschaaf te hanteren'' schrijft de raad. Om vervolgens ijskoud te melden dat `die enkele keer' betrekking heeft op zowel de museumwereld (2,5 procent) en op de orkesten en opera-instellingen (4,3 procent), de twee duurste sectoren in het kunstenplan. Daarbij komt dat alle aanvragers sluipenderwijs de kaasschaaf van de niet-gecorrigeerde inflatie over zich heen krijgen, omdat de positieve adviezen van de raad zijn gefixeerd op het prijsniveau van 2002. Sindsdien zijn de prijzen met ruim 5 procent gestegen.

De raad zegt duidelijk dat ,,niet eerder'' wordt geadviseerd ,,een aanvraag te honoreren omdat de instelling zich in de regio bevindt''. Zelfs van het idee van Van der Laan om regionale fondsen in te stellen – een plan `waar nog onderzoek naar moet worden gedaan' – zegt de raad alvast ,,geen voorstander'' te zijn. Wat betreft het ontzien van de cultuurproducenten kapittelt de raad zijn opdrachtgeefster. De discussie over de ondersteunende instellingen wordt ,,ten onrechte tegen de achtergrond van het streven naar minder bureaucratie gevoerd'' en het is ,,onjuist'' deze instellingen ,,per definitie meer te korten''.

De belangrijkste vraag de komende periode is dus of de staatssecretaris karakter zal tonen en frontaal gaat botsen met de raad om haar beleid veilig te stellen. Eén manier daartoe is teruggrijpen op het nu verguisde `boegbeeldenbeleid' van haar voorganger Van der Ploeg. De geëxalteerde lof voor gezelschappen van wereldfaam als het Concertgebouworkest en de Nederlandse Opera biedt alle aanleiding om dergelijke boegbeelden te vrijwaren van een blinde generieke korting. Zie de toneelsector, waar het bekritiseerde Holland Festival 8 ton meer krijgt om van internationale allure te zijn.

Aanknopingspunt biedt ook de harde toon van de raad ten opzichte van de versteende musea (,,geen vernieuwing'', ,,veilige middenweg''). Die strenge toon zet de raad niet om in daden. Zelfs bij het afgeslachte Rijksmuseum Twenthe (,,zwak profiel, gering bereik, beleidsplan slecht onderbouwd'') zijn er ,,contractuele redenen'' om 2,7 miljoen uit te keren.

De vraag is overigens of Van der Laan blij moet zijn als er wel naar haar geluisterd wordt, zoals in de danssector. Daar wordt bij uitzondering de zuidelijke regio bevorderd, met 500 duizend euro en is geen respect getoond voor gevestigde namen: de onomstreden Truus Bronkhorst loopt eenzelfde bedrag mis.