Ook Hagar Peeters was in Landgraaf, op dvd

De Jo Peters Poëzieprijs 2004, een onderscheiding voor een oeuvre van één of twee dichtbundels, is zaterdag toegekend aan Hagar Peeters voor haar tweede bundel `Koffers Zeelucht'. Haar moeder nam de prijs in ontvangst.

,,Woorden zijn rampen, rampen, rampen'', declameerde Wilma Stockenström. Dat kwam hard aan bij de woordverslaafden die haar als laatste hoorde voordragen op de Dag van de Poëzie in Landgraaf en die op dat moment zeveneneenhalf uur luisteren in gewijde stilte achter de rug hadden. Zeker nu dit wantrouwen van woorden kwam van deze dichteres uit Zuid-Afrika, die haar wijze, sceptische gedichten met zoveel overtuiging en vuur uit haar oude, tengere lijf wrong. Het optreden van Stockenström vormde een waardige afsluiter van een mooie, lange dag; haar misantropische Ecce Homo, cruciaal in haar oeuvre, een van de hoogtepunten. In dat gedicht vraagt ze zich af wat de mens heeft bezield om rechtop te willen staan. Alles wat we doen kan ook op vier poten, stelt ze vast en dus zijn we maar aanstellers: ,,Daar staat hij nou met zijn weke delen bloot/ de mens, die zot, die grote toneelspeler''.

De Dag van de Poëzie, een tweejaarlijks festival voorafgegaan door een Avond van Nieuwe Poëzie, kende een indrukwekkend deelnemersveld, dat kan wedijveren met dat van de geïnstitutionaliseerde Nacht van de Poëzie in Utrecht. Maar in Landgraaf vormt een lokaal cultuurzaaltje de entourage, mag een lokale groep 8 de dag openen met een zelfgeschreven rap en voeren voorzitter zus en organisator zo ook nog even het woord – ondanks de aanwezigheid van een voorbeeldige spreekstalmeester, in de persoon van dichter-criticus Arie van der Berg. Wat overeenkomt is dat ze ook in Landgraaf vinden dat poëzieliefhebbers houden van accordeon, hobo, Iraanse tar en a capella zang – de entr'acts die de optredens omlijstten en het uithoudingsvermogen beproefden.

Het festival begon zaterdagavond met vier veelbelovende dichters: de genomineerden voor de Jo Peeters Poëzieprijs, een prijs voor een `jong' oeuvre, bestaande uit één of twee bundels. Dat waren Maria Barnas, die schoorvoetend voordroeg, de extraverte Fries Tsjead Bruinja, de absurdist Peer Wittenbols, en Hagar Peeters. Die laatste was er niet, en toch wel, bleek toen een projectiescherm werd opgezet. Op dvd, ook een manier om op te treden. Peeters bleek de winnaar van de prijs – een onthulling die op internetsites al verklapt was. Namens haar afwezige dochter nam de geëmotioneerde moeder van Peeters de prijs in ontvangst (1250 euro plus een opdracht voor het schrijven van 10 à 15 gedichten die de organisatie zelf uitgeeft). ,,Als kind'', vertelde de moeder, ,,kroop Hagar al onder de tafel en riep dat iedereen stil moest zijn, omdat ze héél diep moest nadenken.''

Bij gedichten lezen hoort stilte, aandacht en toewijding. Wat zoekt de lezer op een poëziefestival? Remco Campert zijn Lamento horen zingen, om te beginnen, daar knapt ieder mens van op. Maar het gaat ook om de ontdekkingen van onbekend talent en om de verrassende toonzetting van gedichten die je alleen in je eigen hoofd hebt laten klinken. In de tweede categorie was ruimer voorzien dan in de eerste. Peer Wittenbols, bekend als toneelschrijver, bleek eenmaal zelf op het podium meeslepend, precies de theatrale aansteller waar Stockenström op doelt. Maar andere `nieuwe namen', Limburgse dichters als Emma Crebolder en Paul Hermans en dichters als Lut de Block en Jane Leusink, frappeerden niet meteen.

Daar stond veel tegenover. Leonard Nolens deed de titel van zijn laatste bundel, Derwisj, eer aan door te laten horen hoe de monnik, die hij als schrijver is, nochtans kan dansen met zijn woorden en stem. De cyclus Bres, een weerwoord van de jongeren die zich in 1968 níet roerden, bleek zich daar uitstekend voor te lenen. Mustafa Stitou verraste door zijn wendbare gedichten opzettelijk vertragend en toonloos voor te dragen. Hij vertelde hoe zijn bovenbuurvrouw in een psychiatrische inrichting had gewerkt en zo een aantal dichters had leren kennen. Uit het hilarische gedicht daarover werd door zijn aanpak alle koketterie geknepen. Even mooi was de voordracht van H.H. ter Balkt, de boerendichter, gezegend met een basgeluid, zo diep en smeuïg dat een hiphopband er jaloers op zou zijn. Zo denderden er in Landgraaf dorsmachines en scharensliepen voorbij, als stoten in de maag.