Meisjesbesnijdenis

Na alle commotie in de media over de voors en tegens van controle op meisjesbesnijdenis heeft de Tweede Kamer op 31 maart een PvdA-motie over dit onderwerp aangenomen. De motie houdt in dat er een verplichte jaarlijkse controle komt. Het kabinet moet nog voor de zomer aangeven hoe dit te realiseren, en jeugd(school)artsen en praktijkverpleegkundigen worden belast met de uitvoering. Genitale verminking wordt in de motie geschaard onder kindermishandeling.

In de discussie vóór aanvaarding van de motie en in de motie zelf mis ik aandacht voor de onderwerpen communicatie met het meisje en de betrokken familie, en nazorg. Het hele onderwerp lijkt uitsluitend in een justitiële sfeer te zijn getrokken, met nadruk op het resultaat van de besnijdenis: onomkeerbaar fysiek letsel, medische risico's in het verlengde daarvan en psychische schade. Als we dit resultaat overzien, is meisjesbesnijdenis inderdaad moeiteloos te beschouwen als een vorm van kindermishandeling. Controle is daarom noodzakelijk, al zal dit in de praktijk niet meevallen en hoogstwaarschijnlijk ongunstige neveneffecten hebben.

Een besnijdenis ondergaan wordt door zeker een deel van de meisjes als traumatisch ervaren; confrontatie erna met een puur justitieel reagerende omgeving die haar ouders als misdadigers veroordeelt, betekent echter gemakkelijk trauma nummer 2.

Opstapeling van trauma's door het negeren van de culturele context kan niet de bedoeling zijn van de voorgenomen controlepraktijk. Daarom zijn protocollen nodig met aandacht voor de wijze van communicatie met het meisje en haar familie, inachtneming van de culturele context, en voor een respectvolle nazorg na een controle waarin besnijdenis aan het licht is gekomen. Ook moet het kabinet geld beschikbaar stellen voor deskundigheidsbevordering van de betrokken professionals. Die deskundigheid moet ook worden ingezet in een verder te ontwikkelen praktijk van preventie van meisjesbesnijdenis.