Kent de oorlog tegen het terrorisme juridische grenzen?

Het Amerikaanse Hooggerechtshof hoort vandaag een zaak die niet alleen de 590 gevangenen op Guantánamo Bay raakt maar ook de juridische grenzen van de oorlog tegen terrorisme aftast.

Na de aanslagen van 11 september kreeg de Amerikaanse president Bush van het Congres toestemming ,,al het noodzakelijke en passende gezag'' te gebruiken in de oorlog tegen het terrorisme. Aan hem werd overgelaten wie een terrorist is, en wie niet. Hij bepaalde wie er werd vastgehouden, hoe lang en waarom. Vandaag wordt voor het Hooggerechtshof, de hoogste rechterlijke macht in de VS, die macht openlijk in twijfel getrokken.

Het Hof zal zich buigen over de vraag of op Guantánamo Bay, een marinebasis die voor onbepaalde tijd door de VS is gehuurd op Cubaans grondgebied, het Amerikaanse recht geldt. Zo ja, dan zouden de 595 vermeende Al-Qaeda- en Talibaanstrijders die daar sinds begin 2002 vastzitten in beroep mogen gaan via het Amerikaanse rechtssysteem, en na berechting door een militair tribunaal ook bij Amerikaanse civiele rechtbanken in beroep kunnen gaan. Zo nee, dan kunnen zij, naar goeddunken van de regering-Bush, voor onbepaalde tijd gevangen worden gehouden. Het Hof spreekt zich niet uit over de vraag of het rechtvaardig is dat de mannen al ruim twee jaar gevangen worden gehouden zonder aanklacht en zonder juridische bijstand.

Desondanks is deze zaak ,,ontzettend, ontzettend, ontzettend belangrijk'', zegt voormalig openbaar aanklager Edward Lazarus, auteur van boeken over het Hooggerechtshof. Het gaat niet alleen over Guantánamo Bay maar ook over de juridische grenzen van de oorlog tegen terrorisme, zegt hij in een telefonisch interview uit Washington. ,,Het draait om veiligheid versus vrijheid.''

,,Eigenlijk wordt hier de vraag gesteld of de president wel de complete vrijheid van handelen heeft om te beslissen in naam van veiligheid en in hoeverre daarbij burgerrechten mogen worden ingeruild'', zegt Lazarus. ,,En vervolgens: welke tak binnen een democratie heeft de macht in oorlogstijd?''

Het gaat om het evenwicht der drie machten – de uitvoerende, rechtsprekende en wetgevende macht – zeggen juristen. ,,De achterliggende vraag is of de Amerikaanse rechters mogen kijken naar wat de uitvoerende macht, de president, doet'', zegt Stephen Watt van het Centre for Constituational Rights (CCR) telefonisch vanuit Washington. Het CCR spande namens de gevangenen Shaqif Rasul, Asif Iqbal, David Hicks en Mamdouh Habib de rechtszaak tegen de regering-Bush aan.

Namens de regering-Bush zal advocaat-generaal Theodore Olson vandaag betogen dat de positie van Bush als opperbevelhebber in gevaar komt als de Guantánamo-gevangenen naar de rechter mogen stappen. ,,Het brengt de federale gerechtshoven in de ongekende positie het handelen van de president over gevangengenomen vijandelijke strijders te micromanagen'', is te lezen in zijn verklaring. Olson zal terugverwijzen naar een uitspraak van het Hooggerechthof in 1950. Volgens dat vonnis hadden Amerikaanse rechters geen jurisdictie over Duitse krijgsgevangenen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in China werden gevangen.

De advocaten van de gevangenen menen echter dat ,,Guantánamo Bay niet in het oog van de storm ligt''. ,,Wij zullen beargumenteren dat Guantánamo Bay geen oorlogsgebied is'', zegt Watt van het Centre for Constitutional Rights. ,,Het klopt dat het Hooggerechtshof de president ten tijde van oorlog een grotere vrijheid toekent, maar dit is geen oorlog zoals de Tweede Wereldoorlog. Het leven gaat gewoon door.''

Het belang van de zaak wordt eveneens duidelijk door de meer dan tweehonderd amici curiae – de vrienden van het hof – die een petitie aan de aanklacht hebben toegevoegd: voormalige Amerikaanse krijgsgevangenen, rechters, militaire en civiele advocaten, internationale juristen, mensenrechtenorganisaties en 175 Britse parlementariërs. De aanklacht zelf is geschreven door acht vooraanstaande juristen, onder wie verschillende openbaar aanklagers en oud-directeur van de CIA James Woolsey.

Ook de 83-jarige Fred Korematsu staat op de lijst van amici curiae. Korematsu, een Amerikaan van Japanse afkomst, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog op last van president Roosevelt net als 120.000 andere Japanners in de VS geïnterneerd. Het Hooggerechtshof bepaalde toen dat dit binnen de oorlogssituatie rechtvaardig was, maar in 1988 werd alsnog bepaald dat dit zijn burgerrechten aantastte. ,,Onze geschiedenis verdient aandacht. Alleen door de fouten van het verleden te begrijpen, kunnen we in de toekomst het beter doen'', verklaart hij in zijn petitie. ,,En om die fouten niet te herhalen zou dit Hof duidelijk moeten maken dat de VS grondwettelijke en burgerrechten respecteren.''

De uitspraak is onmogelijk te voorspellen, zeggen verschillende juristen. Het Hooggerechtshof heeft in de huidige samenstelling niet eerder uitspraken gedaan over het buitenlandbeleid van de regering-Bush, noch over de macht van de president in oorlogstijd. ,,Over het algemeen geeft het Hof een president speelruimte in een tijd van oorlog'', zegt oud-aanklager Lazarus. Volgens hem stemt de president van het Hooggerechtshof, rechter Rehnquist, meestal pro-regering. Ook schreef Rehnquist ooit dat ,,rechters, net zoals de bevolking, de oorlogsinspanningen van een natie niet willen hinderen''.

,,Maar als ik een gok mag wagen'', zegt Lazarus, ,,dan zou de regering wel eens kunnen verliezen. Dit Hof is een egoïstisch hof. Het vindt het idee om zichzelf buitenspel te zetten maar niets. Het kan de regering-Bush ruimte geven, maar zelfs de meest conservatieve rechters geloven in de rechterlijke macht, en in het soms romantische idee van de rechter als hoogste macht.''

De hoorzittingen duren vandaag niet langer dan een uur. Beide partijen krijgen dertig minuten om hun kant van de zaak uiteen te zetten. De uitspraak wordt eind juni verwacht.