De uilen van Ureterp

In de hete zomer van 2003 vielen veel jonge kerkuilen van de warmte uit hun nest. Het Friese vogelasiel de Fûgelhelling redde 41 uilskuikens. Deze week kregen de laatste drie uilen hun vrijheid terug.

Vogelasiel de Fûgelhelling in Ureterp kreeg vorige zomer liefst 41 jonge kerkuilen binnen. Tijdens de hittegolf werd het onder de hanenbalken in de boerenschuren bloedheet. Jonge kerkuilen ploften bij bosjes omlaag. Vrijwilligers zetten de beestjes terug in hun nestkasten, maar ze lieten zich weer vallen, blijkbaar bang om levend geroosterd te worden. In Ureterp zijn de oververhitte uilskuikens liefdevol grootgebracht. Dit voorjaar slaan ze hun vleugels uit. Vrijwilligers brengen ze onder op boerderijen in de wijde omtrek. Soms stond daar een nestkast leeg, soms is een nieuwe opgehangen.

De laatste drie kerkuilen, die nog wat magertjes waren, zitten in een grote, lichte kooi. Twee zitten er schouder aan schouder. Met half dichtgeknepen ogen turen ze naar hun bezoek. Ze hebben een schitterend verenpak, bruin met oranje en staalblauw gespikkeld. Ook zit hier een ransuil met kenmerkende oorpluimpjes, die vanavond wordt losgelaten in een weiland in de buurt, en een bosuiltje dat nog even blijven moet. Een velduil, aangereden op de Afsluitdijk, zit in een ruime buitenkooi, waar hij opnieuw moet leren jagen. ,,We zetten ze nu liefst buitendijks op de kwelders uit, dat is veiliger'', zegt Hetty Sinnema.

Uit heel Friesland, Groningen en Drenthe krijgt de Fûgelhelling uilen binnen. Het zijn prachtige beesten. Ze hebben zoiets mystieks, ze kijken dwars door je heen. Maar ze zijn niet gemakkelijk in de opvang. Ze zijn zo schuw. Soms willen ze niks eten, soms alleen levend aas. En als er dan meer dieren bij elkaar in de kooi zitten, vertelt Sinnema, kun je niet gemakkelijk in de gaten houden of ze allemaal genoeg binnenkrijgen. ,,En je moet zo min mogelijk contact met ze zoeken, want ze moeten niet aan mensen wennen.''

Twee van de drie kerkuilen gaan vandaag mee naar een gemengd boerenbedrijf in Ferwert – richting Ameland. Daarvoor zorgt Johan de Jong, biologieleraar in ruste en landelijk coördinator van de Kerkuilenwerkgroep, waarin 800 vrijwilligers samenwerken. Johan stapt zachtjes de kooi binnen en zwaait met een schepnet aan een lange steel. Na een reeks snelle manoeuvres krijgt hij de woest fladderende kerkuil te pakken en grijpt hem bij de achterpoten. ,,Deze is nu mooi op gewicht.'' Hij stopt het beest in een houten transportkistje.

De tweede uil heeft goed opgelet en laat zich nog veel lastiger pakken. Na veel geklapper en gezwiep verdwijnt ook hij – of zij – in het kistje. ,,Deze is zo ontzettend mooi, bijna wit van kleur'', zegt Hetty Sinnema. ,,Hij is heel fel en actief, maar ook nogal bijterig.'' Het bloed druipt over Johans hand. ,,Je kunt zo niet zien of het een mannetje of een vrouwtje is. Daar kom je pas achter door bloedonderzoek'', vertelt hij. ,,Ik hoop dat deze twee een paartje kunnen vormen. Maar als ze dezelfde sekse hebben, vinden ze wel een partner uit de buurt.''

Een paar kooien verderop zit een groepje pluizige gele eendenkuikens onder een warme lamp. Uilenvoer? ,,Nee, deze zitten ook in de opvang'', zegt Johan de Jong. Hij graait in een grote vrieskist en vult een plastic zak met eendagskuikens. Daarna zetten we over hobbelige boerenwegen koers naar Ferwert. Vanuit de kofferbak klinkt gekras en gekrabbel.

Landelijk gaat het steeds beter met de kerkuil. In de lange strenge winter van 1979 was de stand met honderd broedparen op een dieptepunt, nu zijn het er al weer 2.500. Een landelijk netwerk van ruim 800 vrijwilligers helpt de uilen onder dak. Friesland kan bogen op 541 broedparen en duizend nestkasten. ,,Een enkel paartje broedt nog op een kerkzolder, in een holle boom of zomaar achter het dakbeschot. Maar nestkasten zijn veiliger voor de kuikens'', zegt Johan.

De boerderij van de Lettinga's in Ferwerd, een akkerbouwbedrijf annex kuikenmesterij, is getooid met een ûleboerd (uilenbord), geflankeerd door twee sierlijke zwaantjes. In de schuur hangt een grote kerkuilenkast die al drie of vier jaar leeg stond. ,,Toch moet dit een goeie plek zijn'', zegt Johan de Jong. ,,Achter de boerderij zitten veel veldmuizen.''

De eerste drie of vier dagen blijven de uilen binnen, pas daarna mag het vlieggat open. We dragen het kistje de schuur in en pakken de uilen voorzichtig op. Vleugellengte, klauw- en snavellengte worden zorgvuldig opgemeten en met een trekveer wordt het gewicht bepaald. Johan noteert alles in zijn boekje. ,,Gooi ze maar omhoog!'' De uilen slaan soepel hun vleugels uit, zwenken tussen de balken door en nemen kalmpjes plaats in de nok, waar ze ons met half dichtgeknepen ogen gadeslaan. ,,Soms duiken ze meteen die kast in, ongelooflijk'', verzucht Johan. Hij laat de diepgevroren kuikens achter. ,,Ze mogen er zes per dag.'' De boer en de boerin knikken begrijpend en gaan weer aan het werk.