Cultuur van het geven

Eens in de vier jaar breekt er een pandemomium uit in de Nederlandse wereld van kunst en cultuur. De Raad voor Cultuur, het belangrijkste adviesorgaan voor de staatssecretaris van Cultuur, maakt dan zijn voorstellen bekend voor de rijkssubsidiëring voor toneel, dans, muziek, beeldende kunst, literatuur en film. Het advies van de Raad voor Cultuur wordt gewoonlijk overgenomen door de bewindspersoon en het is in hoge mate bepalend voor de nationale kunstsubsidiëring. En daarmee voor de financiële armslag van gezelschappen en kunstuitingen in de volgende vier jaar. Ruim achthonderd instellingen vroegen 660 miljoen euro aan subsidies aan; uiteindelijk is onder 422 instellingen de beschikbare 392,5 miljoen euro verdeeld. ,,Voor het geld dat u heeft, is dit de kwaliteit die u kunt kopen'', zei de voorzitter van de Raad, Winnie Sorgdrager, gisteren bij de aanbieding van het advies aan staatssecretaris Medy van der Laan (D66).

Welbeschouwd geeft de Nederlandse overheid een bescheiden bedrag uit aan kunst en cultuur. Voor het geld waarmee het ministerie van Onderwijs de ruimtereis van André Kuipers heeft gefinancierd, kunnen een jaar lang drie complete Concertgebouworkesten worden gesubsidieerd en dan blijft er nog geld over voor muzikale experimenten. De Hilversumse omroepen krijgen jaarlijks ongeveer twee keer zoveel subsidie uit Den Haag als de kunstsector. Aan huishoudelijke hulp besteedt de AWBZ vijf keer zoveel als het complete kunstenbudget. Afgezet tegen de omvang van de Nederlandse economie gaat er slechts 0,08 procent naar de kunsten.

Afgezien van het beschikbare bedrag vallen er onevenwichtigheden op in het uitgebrachte advies. Staatssecretaris Van der Laan had gevraagd keuzes te maken, maar bij de kortingen in de sector muziek wordt de kaasschaaf gehanteerd. Instellingen die wegens hun internationale allure door de eerdere staatssecretaris Van der Ploeg werden begunstigd – het Concertgebouworkest, de Nederlandse Opera, het Nederlands Danstheater – worden ondanks lovende woorden over het artistieke niveau niet ontzien. Daarentegen is bij het toneel de permanente vernieuwingsdrang voortgezet: veel verschuivingen bij de toekenningen. Waar continuïteit gewenst is, lijkt veeleer sprake van ongedurigheid om het telkens weer artistiek anders te doen.

Als bedrijfstak heeft de cultuursector meer dan budgettaire tegenvallers te verwerken. De afgelopen jaren is veel geld gegaan naar nieuwe theaters of renovatie van musea en de hoger dan geraamde exploitatielasten verdringen de personeelsuitgaven voor acteurs, dansers en musici. Gezien de krapte van de publieke middelen in de komende periode doet de Raad voor Cultuur een oproep om fiscale begunstiging van cultuur te stimuleren. Vermogende particulieren moeten aangesproken worden als sponsors in een culture of giving. Ze kunnen een voorbeeld nemen aan theaterproducent Joop van den Ende, wiens VandenEnde Foundation jaarlijks tien miljoen euro aan de theater- en muzieksector geeft.

Kunst en cultuur zijn van nature aan veranderingen en wisselende modes onderhevig. Binnen de marges van het beschikbare budget zijn keuzes in de Cultuurnota onvermijdelijk. Dat die gewichtige keuzes soms van beperkte diepgang zijn, blijkt uit de lotgevallen van de subsidieverstrekking aan Toneelgroep De Appel. Acht jaar geleden werd die subsidie ternauwernood veiliggesteld, vier jaar geleden ging de subsidie verloren en nu wordt voorgesteld deze weer te herstellen. Een negatief advies kan louterend werken, staat in de Cultuurnota. Alsof lijden nog altijd de hoogste vorm van artisticiteit oplevert. Kunst en cultuur verdienen beter.