Blijf in contact met boefjes in spe

Hanggroepen die zich tot jeugdbendes hebben ontwikkeld, verdienen een harde aanpak, meent Frank van Gemert. Maar het is ook belangrijk dat iedereen tegen elkaar kan zeggen: we weten waar je woont.

In veel Nederlandse steden zijn op straat groepen jongeren te vinden die problemen veroorzaken. Het merendeel van deze groepen bestaat uit jongens met een allochtone achtergrond die komen uit grote gezinnen die klein behuisd zijn. Het huis is het domein van vrouwen. Jongens hangen daarom op straat, waar zij leeftijdgenoten opzoeken. In hanggroepen slaan deze jongeren hun tijd stuk, verveling is er aan de orde van de dag.

Buurtbewoners en winkeliers zien jongeren op hun stoep met wie zij niet gemakkelijk communiceren. Verschillen in omgangsvormen en woordgebruik leiden tot de suggestie dat ze elkaars taal niet spreken. Rommel en lawaai leggen de kiem voor irritaties, die worden opgekropt tot het water aan de lippen staat. Het contact dat dan volgt heeft het karakter van een confrontatie. Er ontstaat een sfeer van verwijten, zodat partijen tegenover elkaar komen te staan.

Wanneer zich conflicten voordoen, doorbreekt dat de sleur en het sterkt de groepsbanden. Sommige botsingen kunnen hoog oplopen en soms vallen er klappen. Nu blijkt dat de partijen niet elkaars gelijke zijn. De bewoners en winkeliers zijn namelijk veel kwetsbaarder dan de jongeren. Terwijl overduidelijk is voor wiens deur het conflict zich ontrolt, kunnen de jongeren zich verschuilen in de groep en is als regel niet bekend waar de individuen thuis zijn.

Het zijn misschien wel jongeren uit de buurt, maar waar ze precies wonen en wie hun ouders zijn is niet bekend. Deze anonimiteit is omgekeerd aan de kwetsbaarheid van de andere partij. ,,Ik weet waar je woont'', is een zinnetje dat door groepsleden gemakkelijk wordt uitgesproken. Ook al zijn er zelden daden aan verbonden, toch heeft het een enorme invloed.

Slechte communicatie en anonimiteit scheiden de partijen van elkaar. Tuinen krijgen hekken en winkels rolluiken, maar ook bij de hanggroepen gaan de stekels op. Jongeren vinden geen weerklank meer in de buurt waar ze elkaar treffen. De buitenwereld voelt vijandig en de groepsleden raken meer en meer op elkaar aangewezen. De groep komt in een isolement terecht en daarmee verengt zich ook het blikveld. Wat om hen heen gebeurt wordt becommentarieerd in ongenuanceerde oneliners, die de wereld ordenen in zwart-wit tegenstellingen, in `wij' en `zij'. Jongeren komen in de greep van de groep.

In eerste instantie worden kinderen gesocialiseerd in het gezin waar ze opgroeien en op school. Goedbedoelde inspanningen van opvoeders en onderwijzers worden echter in hanggroepen op straat tenietgedaan. De afstand van de klassieke socialisatiedomeinen tot de belevingswereld van de hangjeugd is te groot geworden. Stoer zijn betekent vaak het durven overtreden van publieke regels. De autoriteiten thuis en op school zien hun invloed slinken en de groepsdynamiek in hanggroepen is meer en meer bepalend voor conflicten in Nederlandse buurten.

Waar men met deze problematiek de strijd aanbindt, ligt vaak nadruk op repressie, en gezien de ernst van de situatie is dat niet verwonderlijk. Tegenover het geschetste socialisatieproces in de hanggroep is `heropvoeding' te plaatsen. Er bestaan enkele programma's die jongeren in een inrichting met een streng regime resocialiseren en zeggen daarmee succes te hebben. Door dagelijks intensief in een groep te werken leren zij hoe zich te gedragen. Het is mooi wanneer een jongen deze extra bagage met zich meedraagt als hij de inrichting verlaat, maar het is natuurlijk de vraag of hij die ook kan gebruiken wanneer hij weer terugkeert in de wijk waar nog steeds de hanggroep te vinden is.

Het is onduidelijk waarop de claim is gebaseerd dat dit keer de (her)opvoeding zal beklijven. Enerzijds wordt het blijvende effect van de socialisatie overschat (immers waarom dan resocialiseren?), anderzijds ziet men de zuigende kracht van de hanggroep over het hoofd. Bepalend voor zijn toekomst lijkt veeleer of een jongen de hanggroep kan mijden, bijvoorbeeld omdat hij een baan heeft als hij op vrije voeten komt.

Een andere manier om deze problematiek te keren, ligt besloten in de buurtgemeenschap. Dit is het spoor van preventie, dat actieve bemoeienis verlangt. Gebrekkige communicatie, anonimiteit en isolement wijzen op haperende sociale verbanden. Hanggroepen die zich tot jeugdbendes hebben ontwikkeld verdienen een harde aanpak. De jongere garde mag echter niet als vanzelfsprekend opvolgers leveren en daarom is het zaak met boefjes in spe in contact te blijven.

Dat kan tegengaan dat zich opnieuw een naar binnen gekeerde overlastgevende of zelfs criminele groep ontwikkelt. Ouders, onderwijzers en buurtbewoners streven ditzelfde doel na, maar ze doen dat los van elkaar en treden te weinig buiten hun eigen domein. Op het niveau van buurten is daarin verandering te brengen. Beleidsnota's of projectaanvragen zijn niet noodzakelijk. Voorwaarde is wel dat mensen elkaar weten te vinden, elkaar verstaan en vertrouwen, en bereid zijn om op straat verantwoordelijkheid te tonen.

Het gaat niet om het vangen van criminelen, maar om het aanspreken van opgroeiende kinderen en hun ouders. Al te gemakkelijk wordt gezegd dat mensen in de stad van nu vreemden zijn voor elkaar. Voor degenen die in dezelfde straat wonen hoeft dat niet waar te zijn. ,,Ik weet waar je woont'', krijgt zo een andere lading.

Frank van Gemert is medewerker bij het Regioplan Beleidsonderzoek en universitair docent bij de sectie criminologie van de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij is deelnemer aan het debat donderdag in Rotterdam over `De desperado's van de stad'. Meer informatie in de advertentie onderaan op deze pagina.