VS moeten Irak-politiek wijzigen

Het is onduidelijk aan wie Amerika over tien weken de toekomst van Irak wil toevertrouwen. Het is überhaupt onduidelijk welke koers de Verenigde Staten inzake Irak varen. Het roer moet om, menen Ivo Daalder en Anthony Lake.

Het wordt tijd voor een fundamentele herijking van de Amerikaanse politiek inzake Irak, niet wegens de geweldsspiraal van de laatste dagen maar omdat de huidige aanpak niet werkt.

Velen stellen zich inmiddels op het standpunt dat de Verenigde Staten door de ideologische naïviteit waarmee ze eigenlijk zonder plan en zonder begrip van het land naar Irak zijn gegaan, geen goed alternatief meer hebben. Het is inderdaad de grootste strategische blunder sinds minimaal een generatie. Maar het volstaat niet te mekkeren over de janboel en te wensen dat we nooit gegaan waren. Als we ons terugtrekken, zal er een burgeroorlog met enorme regionale gevolgen uitbreken en zal voortaan elke Amerikaan in elke uithoek van de wereld als schietschijf dienen.

Ook de herhaalde bewering van president Bush vorige week dinsdag op zijn persconferentie dat ,,wij koers zullen houden'', levert geen antwoord op. Welke `koers' volgen de VS dan? Over het centrale thema – het toezicht op de vorming van een wettige regering die Irak kan leiden als wij weg zijn – heeft de Amerikaanse regering nooit een duidelijk idee gehad en nu lijkt ze helemaal geen plan meer te hebben. Met nog maar tien weken te gaan tot de afgesproken datum waarop de Irakezen hun soevereiniteit terugkrijgen, heeft Washington geen antwoord op deze kritieke vraag: wie zijn de Irakezen aan wie de toekomst van hun land wordt toevertrouwd?

Net als in Vietnam is de kern van het strategische dilemma politiek: hoe vormen en steunen de VS een regering die door het volk als legitiem wordt ervaren, terwijl er een toenemende nationalistische reactie tegen de Amerikaanse aanwezigheid bestaat – en dus ook tot op zekere hoogte tegen elke Iraakse groepering die wij expliciet steunen? Dat valt niet mee. Maar een overwinning kan alleen worden bereikt, als zo'n regering aanwezig is.

De militaire nederlaag van onze tegenstanders is daartoe een middel, maar nog niet de overwinning zelf. Amerikaanse soldaten leveren een dappere en goede strijd. Maar hun inspanningen zullen tevergeefs zijn, als de VS niet het centrale politieke doel van een stabiele Iraakse overheid weten te verwezenlijken.

Het uitzetten van een serieuze koers in Irak moet worden gezien in het licht van de gevolgen voor de Iraakse politiek. Vijf uitgangspunten zijn daarbij van belang.

Ten eerste zou Washington de soevereiniteitsoverdracht tot na 30 juni moeten opschorten. Ja, dit zou de argwaan onder de Irakezen over onze uiteindelijke bedoelingen versterken en een voorwendsel voor meer geweld bieden. Maar er is nu eenmaal geen werkzame Iraakse regering – laat staan een levensvatbare staat – om de soevereiniteit aan over te dragen en die zal er ook op 30 juni nog niet zijn. Geen van de denkbare bestuursorganen die dan misschien zijn opgezet, zal de noodzakelijke legitimiteit bezitten. Sterker nog: de voorlopige grondwet die na de bezetting de basis van het bestuur moet vormen, is afgewezen door de machtigste politieke figuur in Irak, de vrij gematigde groot-ayatollah Ali Sistani, die de scepter zwaait over de sji'ïtische meerderheid van de bevolking.

En ook na een overdracht zullen essentiële bestuursfuncties de verantwoordelijkheid van de VS blijven. Wat telt is dat de Amerikaanse troepen nog altijd de lakens zullen uitdelen – en dat alle Iraakse veiligheidseenheden onder Amerikaans bevel zullen blijven staan. Onder die omstandigheden zal de Iraakse soevereiniteit een wassen neus zijn en zal ook het Iraakse volk dat inzien.

Ten tweede zou Amerika moeten afspreken dat de soevereiniteitsoverdracht zal plaatsvinden zodra er nationale verkiezingen zijn gehouden (hopelijk begin volgend jaar) en een wettig parlement is gevormd. Dit parlement zou verantwoordelijk zijn voor de benoeming van een overgangsregering en voor de opstelling van een nieuwe grondwet. Dit om Sistani gerust te stellen en zijn hulp te verkrijgen om een gunstig klimaat voor verkiezingen te scheppen. Ook zou hij daardoor sterker komen te staan tegenover sji'ïtische radicalen zoals Moqtada Sadr, die politieke munt slaan uit een militaire confrontatie met de Verenigde Staten.

Ten derde moet Amerika zijn strijdkrachten niet terugtrekken of verminderen, maar ze juist versterken. Verkiezingen vereisen veiligheid. Ook als legerleiders en hun burgercollega's in het Pentagon (die de benodigde troepeninzet stelselmatig hebben onderschat) besluiten om niet alle Amerikaanse troepen terug te trekken maar een deel ervan in Irak te houden, is het duidelijk dat een veel grotere strijdmacht dan de huidige nodig is om toekomstige aanvallen op buitenlandse troepen af te schrikken en de Irakezen in het hele land echte veiligheid te bieden. Zonder deze veiligheid is een politieke oplossing niet mogelijk.

Ten vierde zou de regering-Bush de bereidheid om meer troepen in te zetten als pressiemiddel moeten aanwenden om de militaire inbreng van andere landen te verhogen, of ten minste te zorgen dat de huidige coalitiepartners niet steeds slappere knieën krijgen. Nog belangrijker om hun steun te krijgen, is dat nu eindelijk – en misschien wel te laat – het verzoek aan de NAVO wordt gedaan om het bevel van de militaire operatie op zich te nemen.

Ten vijfde moet de Amerikaanse poging meer militaire steun te krijgen onderdeel zijn van een breder streven om de internationale gemeenschap meer bij het bestuur van Irak te betrekken. De interim-regering – de Coalition Provisional Authority (CPA) – is een Amerikaanse aangelegenheid. Het zou veel beter zijn geweest als die van begin af aan een internationaal karakter had gehad. President Bush zou snel een top moeten beleggen met de grote landen in Europa om hun hulp te vragen bij de wederopbouw van Irak. Zonder te beknibbelen op de Amerikaanse bijdrage, zou hij moeten voorstellen dat een ad-hoc-verband van landen de leiding van de CPA krijgt, met aan het hoofd een niet-Amerikaan. De VS hebben de deskundigheid, inzet en financiële bijdrage van andere landen nodig om Irak tot een succes te maken – niet in het minst door een verbreding van de internationale steun en de daardoor verhoogde legitimiteit van de nieuwe Iraakse bestuursstructuur.

Deze beleidswijziging zal de presidentiële adviseurs voor de binnenlandse politiek vermoedelijk een gruwel zijn. Daarmee zou stilzwijgend moeten worden toegegeven dat de koers van de regering tot nu toe is mislukt – iets waartoe de president zich op zijn persconferentie niet bepaald genegen toonde. Maar hij moet beseffen dat de Iraakse politiek – en niet de Amerikaanse – zal bepalen of de VS daar enige kans van slagen hebben. En hij dient te bedenken dat zelfs in dit tijdperk van spindoctors een goede buitenlandse politiek goede politieke rapportcijfers in eigen land oplevert.

Ivo Daalder is verbonden aan de Brookings Institution in Washington en was in 1995 en 1996 in de Nationale Veiligheidsraad belast met Europese aangelegenheden. Anthony Lake is verbonden aan de Georgetown-universiteit in Washington en was van 1993 tot 1997 nationale-veiligheidsadviseur van president Clinton.