`Laat u niet opjutten eraan te beginnen'

In zijn boek Plan of Attack beschrijft journalist Bob Woodward hoe president Bush warm loopt voor een aanval op Irak. Vice-president Cheney speelde een grote rol.

Bob Woodward komt al op bladzijde bladzijde 9 met de eerste aanwijzing dat de regering-Bush voorbestemd was om Saddam Husseins regime op te rollen. Nog vóór de ambtsaanvaarding van de president in januari 2001 zorgde aankomend vice-president Dick Cheney ervoor dat het Pentagon de nieuwe president met voorrang zou briefen over de militaire opties tegen Irak.

De overdrachtsbriefing van de CIA-directeur had drie andere thema's: Al-Qaeda, massavernietigingswapens en China. Irak kwam als potentieel gevaar voor de Verenigde Staten amper voor in de tour d'horizon van de inlichtingendiensten. Cheney had bij directeur Tenet ook geen verzoeknummer ingediend.

Op bladzijde 22 citeert Woodward minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell al, die president Bush voorjaar 2001 nog onverschrokken adviseert. Hij noemt de dan al circulerende plannen om het karwei van de eerste Golfoorlog af te maken `zotheid'. De minister zegt tegen zijn hoogste baas: ,,Laat u niet opjutten er aan te beginnen voordat u er echt een reden toe heeft. Dit is lang niet zo makkelijk als het wordt voorgesteld. Neem uw tijd. Laat u zich niets opdringen.''

Plan of Attack is het tweede boek dat de sterverslaggever en adjunct-hoofdredacteur van The Washington Post wijdt aan de regering-Bush. Het eerste, Bush at War, ging over de eerste uren, dagen en weken na de aanslagen van 11 september 2001. Hoewel het veel citaten uit de inner circle bevatte die de moderne Amerikaanse geschiedenis zijn ingegaan, was het tevreden stilzwijgen van het Witte Huis na het verschijnen een aanwijzing dat men daar in ruil voor toegang tot hoofdrolspelers een bevredigende mate van regie over de inhoud had weten te bewerkstelligen.

Dit nieuwe boek over de aanloop naar de Irak-oorlog is veel koeler. Het mist net als het vorige boek beoordelende bijvoeglijke naamwoorden, maar ook de verheerlijkende citaten over het koene leiderschap van de president die de geloofwaardigheid van Bush at War ondermijnden. Woodward heeft deze keer kennelijk kans gezien meer bronnen met tegengestelde herinneringen en belangen te raadplegen. Volgens een kenner van de totstandkoming van het boek is dat ook een gevolg van de gegroeide verdeeldheid binnen de regering-Bush.

Het verschil in reactie van het Witte Huis is in ieder geval treffend. Afgelopen weekeinde sloeg de woordvoering van de president met een meerkoppige ploeg terug. Nationale Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice beet in een van de zondagse politieke ochtend-tvshows vinnig van zich af. Zij ontkende dat 700 miljoen dollar, die door het Congres was begroot voor de operaties in Afghanistan, door president Bush in het geniep zijn gebruikt voor de geheime voorbereiding van de oorlog tegen Irak. Woodward schrijft dat de hang naar geheimhouding daar min of meer toe dwong.

Hoewel Woodward in het vorige boek een bewonderenswaardige hoeveelheid onbekende details aandroeg, wierp de hagiografische bronnenmix vraagtekens over de kwaliteit van de geschiedschrijving. Plan of Attack biedt een beeld van de denktrant en wijze van opereren van deze president, die met veel data en details aanvult en bevestigt wat in twee recente insider-boeken al naar buiten kwam. De ontslagen minister van Financiën Paul O'Neill en de vrijwillig afgetreden oud-chef terrorismebestrijding Richard Clarke schetsten ook een beeld van een president wiens wereldbeeld zo gesloten is dat weinig nieuwe informatie welkom is.

Terwijl hij presidentiel adviseur Karl Rove en Colin Powell citeert die beiden een zeker fanatisme bij vice-president Cheney constateren als het gaat om afrekenen met Al-Qaeda en Saddam Hussein, schetst Woodward de president niet als permanent gefocused op het verwijderen van Saddam. Het zijn veel kleine Cheney-momenten die suggereren dat Bush wat dat betreft sterk onder invloed staat van zijn vice-president.

Woodward speculeert daar niet over. Hij heeft wel kans gezien twee lange gesprekken van in totaal drieëneenhalf uur met de president te voeren. Daarin geeft de president aan dat hij door `911' anders is gaan denken over de gevaren die Amerikanen bedreigen. Hij is minder geneigd genoegen te nemen met vage dreigementen.

Voorjaar 2001 stelde hij Colin Powell nog gerust met de woorden: ,,Maak je geen zorgen. Ik weet wat ik doe. Ik heb geen haast om moeilijkheden te zoeken.'' Maar dan op de dag van de aanslagen van 11 september citeert Woodward minister van Defensie Rumsfeld al, die aan zijn staf in een door brandlucht en rook bijna onbegaanbaar Pentagon vraagt ,,of dit geen kans biedt met Saddam Hussein af te rekenen?''

Vier dagen later op het presidentiële buitenverblijf Camp David stelt niemand voor Irak aan te vallen bij wijze van tegenmaatregel. De president onderstreept dat ook in zijn gesprek met Woodward van december 2003. Maar vrijwel zodra `Afghanistan' op gang is, begint hij zelf te vragen naar de plannen voor `Irak'. Dat blijken oude Clinton-plannen te zijn, mede opgesteld onder verantwoordelijkheid van Colin Powell in zijn vroegere hoedanigheid als opperbevelhebber.

Woodward beschrijft hoe generaal Tommy Franks, de baas van de operaties in het Midden-Oosten, in de loop van het jaar 2002 door minister van Defensie Rumsfeld wordt toegepraat naar de kleine, lichte strijdkracht die nu zo'n moeite heeft orde en normaliteit te herstellen en te handhaven in Irak. Het oude-Irak-plan voorzag in 500.000 man. Franks schaaft het af tot 400.000 man, maar als het sein tot aanval wordt gegeven op 19 maart 2003 zijn er 116.000 man in aantocht en ruim 300.000 man in de regio.

Colin Powell had zijn oude generaalskameraad Franks nog gewaarschuwd dat het te weinig was. Hij had de president direct na de zomervakantie 2002 nog een keer op de consequenties gewezen: ,,Als u het land kapot maakt, is het van u. Dan bent u eigenaar van 25 miljoen mensen.'' Woodward documenteert zijn citaten met ,,Powells aantekeningen van het gesprek [die] drie à vier vellen besloegen''. Maar hij zegt nooit: doe het niet. Zoals hij de president, die nooit zijn eindoordeel vraagt, op het beslissende moment ook verzekert dat hij `aan boord' is.

George W. Bush bevestigt zijn ondervrager dat hij graag twee termijnen president zou zijn, maar dat hij bereid is het risico te lopen dat het bij één termijn blijft ,,om te kunnen doen wat juist is''. Gevraagd of hij over die sleutelvraag zijn vader, de 41ste president van de Verenigde Staten, wel eens raadpleegt, zegt de huidige president: ,,Hij is de verkeerde vader om een beroep op te doen uit een oogpunt van kracht. Er is een hogere vader die ik raadpleeg.''

Dat hogere beroep ontneemt George W. Bush ook het zicht op het oordeel dat de geschiedenis over hem zal vellen. ,,De geschiedenis? Dat zullen we nooit weten. Dan zijn we allemaal dood.''