Beeldende kunst blijft buiten schot

De Raad is ,,teleurgesteld over het gebrek aan inhoudelijke vernieuwing in de museumsector''. Te vaak wordt gekozen voor ,,de veilige middenweg''. Doelstellingen en missies zijn niet kritisch tegen het licht gehouden, samenwerking blijft steken in goede voornemens of is te veel op onderwijs gericht. Toch leidt dit oordeel niet tot draconische ingrepen. Het meest in het oog springend is de vaststelling dat het Rijksmuseum Twenthe niet in de Cultuurnota thuishoort, omdat het geen nationale reikwijdte heeft en kwaliteit ontbeert. Toch ontvangt het museum de komende periode voor de laatste keer nog 2,7 miljoen euro, omdat de Raad meent dat het Rijk contractueel gebonden is aan subsidie. De komende periode moet de regio en/of de gemeente Enschede de financiële verplichtingen overnemen.

De Raad adviseert zes musea uit te sluiten van verdere rijkssubsidie: het Bijbels Museum, Het Bijbels Openlucht Museum, het Jachthuis Sint Hubertus, het Volksbuurtmuseum in Den Haag, het Nationaal Rijtuigenmuseum, het Tropenmuseum afdeling Junior en de Stichting Nieuwe Kerk. Daar staan drie nieuwkomers tegenover: Museum Jan Cunen, Het Nationaal Glasmuseum en ICOM-Nederland.

De Raad vindt niet, zoals de staatssecretaris, dat de geografische spreiding van musea moet worden meegenomen in de beoordeling. Nieuwbouwplannen heeft de Raad niet gehonoreerd, onder verwijzing naar de beperkte financiële middelen. Hij wijst er ook op dat nieuwbouw veelal een structurele verhoging van het budget vereist om te voldoen aan de toegenomen ambities. Dat is een gevaar waar beter aan gedacht moet worden in de toekomst. Exemplarisch is het Rijksmuseum, dat vanaf 2008, als de nieuwbouw voltooid is, tien miljoen per jaar nodig heeft voor de exploitatie, maar dat vooralsnog niet krijgt, als het aan de raad ligt.

De sector beeldende kunst acht de Raad ,,vitaal''. Ze ,,functioneert in vele opzichten goed''. De raad stelt daarom ,,geen radicale wijzigingen'' voor en ,,neemt continuïteit en ontwikkeling als uitgangspunt voor het beleid''. Kritiek is er wel op het niveau van de ingediende plannen. Er heerst ,,nog steeds onbegrip of onwetendheid als het gaat om de eigen betekenis en positionering''. Zorgwekkend vindt de Raad dat de afstand tussen het reguliere vakonderwijs, de voortgezette opleidingen en de vier werkplaatsen te groot wordt. Het lijkt de Raad logisch het kunstvakonderwijs op de schop te nemen.

Zelf adviseert de Raad werkplaats De Ateliers geen subsidie meer te geven, omdat deze zich niet meer onderscheidt van andere voortgezette opleidingen. Ook het World Wide Video Festival, Lokaal 01 en MAMA krijgen een negatief advies. Verder is de Raad er ,,niet gelukkig'' mee dat werkplaatsen onvoldoende Nederlandse deelnemers trekken.