Verloren tempel

Archeologen hebben de grootste tempel gereconstrueerd die in de Romeinse tijd in Nederland is gebouwd. De brokstukken zijn al meer dan 25 jaar geleden gevonden bij een baggerplas langs de Maas.

Baggergat de Kesselse Waarden, 1977. Nico Roymans, student geschiedenis in Nijmegen en amateurarcheoloog, kijkt toe hoe archeologen van de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) bezig zijn met een kleine noodopgraving. Amateurarcheologen die Roymans kent, hebben het jaar ervoor aan de rand van de baggerplas in de uiterwaarden van de Maas grote blokken tufsteen en drie meter hoge muurresten gevonden. Waarschijnlijk Romeins. Terwijl verderop de baggermachine zand en grind naar boven haalt, ziet Roymans hoe de archeologen enkele blokken op het gras naast de plas hebben getakeld. Sommige stukken zijn versierd en er ligt een stuk zuil met cannelures. De archeologen concluderen dat de vindplaats door de rivier in de loop der jaren is verstoord en dat de muurresten niet meer in hun verband liggen. Verder onderzoek onder moeilijke omstandigheden aan de rand van het water heeft geen zin, ze hebben het druk genoeg met andere opgravingen. Enkele versierde stukken gaan naar het Brabants Museum in Den Bosch. De rest gaat naar een opslag in de naburige gemeente Lith. De vondsten worden in een rapport vermeld, maar verder nooit gepubliceerd.

Kamer A21 op de 8e verdieping van de Vrije Universiteit in Amsterdam, 2004. Professor Nico Roymans, hoogleraar Provinciaal-Romeinse archeologie, pakt een reconstructietekening in kleur. ``Dit is de grootste Gallo-Romeinse tempel in Nederland. Hij lag bij het baggergat bij Kessel.''

Roymans heeft onderzoek gedaan naar publieke heiligdommen van de Bataven, waarvan in de loop der jaren in Elst en Empel sporen zijn gevonden. Vier jaar geleden schoot hem ineens te binnen dat hij in 1977 enkele grote stukken bij het baggergat bij Kessel had gezien. Hij ging op onderzoek uit en vond twee complete rechthoekige blokken van het fries terug op de archeologische afdeling in het Brabants Museum. `Mogelijk onderdeel van de tempel van Empel' meldde het toelichtingsbordje in het Brabants Museum. In het magazijn van Lith stuitte Roymans op drie zuilfragmenten en de onderste helft van een Korintisch kapiteel. De zes fragmenten bleken genoeg om een complete tempel te reconstrueren – met dank aan de vaste maatvoering van de Romeinen.

De `De Architectura', het handboek van de Romeinse architect Vitruvius, leerde Roymans dat hij de hoogte van het Korintisch kapiteel (ongeveer 60 centimeter) met tien moest vermenigvuldigen om de hoogte van de pilasters te berekenen (zes meter). Het was hem duidelijk dat hij met een monumentaal bouwwerk te maken had.

Roymans vergeleek de maten van het Kesselse bouwwerk met andere monumentale bouwwerken. Het Gallo-Romeinse heiligdom La Grange-des-Dîmes in het Zwitserse Avenches is een van de weinige tempels in de Romeinse provincies ten noorden van de Alpen waarvan een gedetailleerde reconstructie bestaat. Het fries van dit gebouw bleek tien centimeter lager dan het bij Kessel gevonden fries. Uiteindelijk vond Roymans elders in Zwitserland, in Nyon, een tempel met dezelfde maten. ``Het was een forumtempel'', zegt Roymans. ,,De hoofdtempel van de plaatselijke colonia (een stad met speciale rechten).''

De tempel van Kessel was dus iets bijzonders. Hij was ook groter dan de tweede tempel van Elst, die kort na de oorlog onder de St. Maartenskerk is gevonden en die met zijn afmetingen van 33 bij 21 meter al tot de grootste Gallo-Romeinse heiligdommen van Gallië hoorde. Die tempel had een rechthoekige cella (het centrale deel met de godenbeelden), omgeven door een overdekte zuilenrij.

De pilasters en zuilenbundels die Roymans reconstrueerde op grond van de vondst bij Kessel maakten hem duidelijk dat hij met een ander type te maken had (zie afbeelding). Na overleg met collega's kwam hij tot de conclusie dat de zuilenbundels bij Kessel zijn gebruikt om aan de voorzijde een zuilenrij met verschillende hoogten te kunnen verwerken. De pilasters zijn deel van een verhoogde voorhal op een podium, de halfzuilen verbinden de voorhal met de lagere porticus aan de zijkanten. Kessel is daardoor volgens Roymans een Gallo-Romeins heiligdom in klassiek-Romeinse stijl, zoals dat eerder ook in Tongeren en Trier is gevonden.

Waar heeft de tempel gestaan en wat was de functie ervan? Sporen van cement op de brokstukken gaven aan dat ze waren hergebruikt voor een Romeinse versterking uit de vierde eeuw. Roymans gaat er van uit dat de Romeinse soldaten, die de versterking hebben gebouwd, de zware brokstukken niet van ver hebben aangesleept. ``De tempel moet dus in de buurt zijn geweest.''

Hij vond hiervoor nog een aanwijzing door alle archeologische vondsten in de omgeving te inventariseren. ``Kijk maar.'' Op de foto's staan keurig in het gelid Keltische munten, zwaarden, sieraden en bronzen ketels. ``Het gaat om honderden voorwerpen, allemaal offergaven.''

De oudste vondsten dateren uit de Late IJzertijd (250-50 voor Christus). ``In die tijd en de daaropvolgende Romeinse tijd kwamen hier de Maas en de Waal samen. Zo'n samenkomst van twee rivieren vormde een belangrijk ritueel landschap voor de Bataven.''

Bij Tacitus (Historiën V 20) komt de plaats Vada voor. Tot nu toe was alleen bekend dat de plaats op de linkeroever van de Vacalus, de Waal, had gelegen en in 68 door de opstandige Julius Civilis bedreigd was geweest. Roymans denkt nu dat Vada bij Kessel heeft gelegen en dat hier de door hem gereconstrueerde tempel heeft gestaan. Hij ziet een vicus, een grote nederzetting, met enkele honderden inwoners voor zich. Als onderdeel van de romanisering van het gebied is op de oude cultusplaats een tempel gebouwd. Vanwege de grote hoeveelheid geofferde zwaarden was het heiligdom waarschijnlijk, net als de tempels van Elst en Empel, gewijd aan de Bataafse hoofdgod Hercules Magusanus. De bouw van de monumentale tempel, waarvoor tufsteen uit de omgeving van Koblenz en wit kalksteen uit de groeves bij het Franse Norroy aangevoerd moest worden, was geen lokaal besluit. Roymans dateert de tempel op grond van stilistische kenmerken op omstreeks 100 na Christus. Hij houdt er rekening mee dat de bouw ervan verband houdt met Trajanus' besluit in 98 na Christus om van Nijmegen een municipium te maken (een stad met iets minder rechten dan de colonia) en de eretitel Ulpia te geven. In elk geval veronderstelt hij dat het hier gaat om het belangrijkste publieke heiligdom van de Bataven.

Antwoorden op vragen liggen misschien nog onder water. Baggeraars, die bij Kessel hebben gewerkt hebben Roymans verteld over een puincomplex in het baggergat van een halve hectare, waar ze maar niet doorheen kwamen. Liggen hier misschien stenen met wijteksten of resten van tempelinscripties? Voor meer duidelijkheid zal Roymans nog even geduld moeten hebben. Wegens financiële omstandigheden kan het duikteam van de ROB maar tien weken per jaar duiken. Deze zomer zitten ze al vol.