Oude kralen in Blombos-grot wijzen op symbolisch gedrag

Bij de Blombos-grot in Zuid-Afrika zijn 41 geperforeerde schelpen gevonden met een ouderdom van 77.000 jaar. Op grond van de perforaties en de slijtsporen op de schelpen is het duidelijk dat ze door mensen gedragen zijn als sieraden. Daarmee zijn het de oudst bekende sieraden. Dit is een belangrijk nieuw argument tegen de nog altijd dominante theorie dat mensen pas sinds circa 40.000 jaar (de tijd dat vrij plotseling rotsschilderingen en andere `kunstvoorwerpen' in Europa verschijnen) in staat zijn tot `symbolisch handelen'. Door zijn niet-functionele en intens symbolische karakter geldt `kunst' algemeen als de belangrijkste indicator van moderne menselijke cognitieve vaardigheden. Volgens sommige antropologen zou er om die reden vóór 50.000 jaar geleden zelfs nog geen echte taal hebben kunnen bestaan. Als dat wel het geval was, zouden de mensen toen ook wel een of andere vorm van kunst hebben gemaakt. Zonder een volledig syntactische taal, die overdracht van gemeenschappelijke symbolen mogelijk maakt, zouden deze kralen dus nooit gemaakt zijn, stellen de betrokken archeologen in Science (16 april).

Een van hen is Christopher Henshilwood, die in 2002 een intrigerend kraspatroon op een stuk oker presenteerde, eveneens afkomstig uit de Blombosgrot en ook 77.000 jaar oud. Dit geldt sindsdien als de `oudste kunst'. De datering van de kralen is zeer uitvoerig onderbouwd. Om vast te stellen of er in de grot niet toch verschuivingen tussen verschillende aardlagen zijn geweest zijn zelfs 1892 individuele zandkorrels gedateerd met optisch gestimuleerde thermoluminescentie. In deze periode werd de grot bewoond door Homo sapiens, dezelfde soort als de moderne mensen. Homo sapiens bestaat in Afrika al sinds 160.000 jaar geleden. Dat diezelfde anatomisch moderne mens pas 40.000 jaar geleden voor het eerst in staat zou zijn geweest tot symbolisch denken is altijd een moeilijk te verklaren fenomeen geweest.

Opvallend is dat de schelpkralen in groepjes van 2 tot 17 bij elkaar gevonden zijn. Omdat de kralen van een groepje dezelfde typische slijtpatronen vertoonden vermoeden Henshilwood en zijn collega onderzoekers dat het hier telkens gaat om één kralenwerkje dat iemand verloren is. In de schelpen zijn verder microscopisch kleine resten van oker gevonden, mogelijk de resten van de met oker geverfde kleren of huid waartegen ze gedragen zijn. Misschien ook zijn de kralen zelf geverfd geweest.