Ontaarde ouders, onthechte kinderen

Tot voor kort was alles in Nederland erop gericht om kinderen bij hun eigen ouders te laten zijn, ook als die ouders hen hadden verwaarloosd en mishandeld. Maar een arrest van de Hoge Raad maakt het voor kinderrechters eenvoudiger om kinderen bij hun pleegouders te laten. `Het gevoel groeit dat kinderen beter af zijn als ze niet naar hun ouders terugkeren.'

Een 22-jarige moeder vraagt het gerechtshof in Leeuwarden haar het gezag over haar 6-jarige zoontje te geven. Ze mag hem bijna nooit zien, ze wordt er hartstikke depressief van, het is háár kind. De kinderrechters, in hoger beroep, laten zich niet vermurwen. Ze geven haar het gezag niet. Dat is op 25 februari 2004. Acht maanden eerder, op 17 juni 2003, heeft de rechtbank in Groningen dat ook al besloten: de moeder krijgt het gezag over haar zoontje niet. En dat terwijl de raad voor de kinderbescherming had geadviseerd de moeder het gezag wél te geven. Want een moeder die minderjarig was toen ze een kind kreeg en nu volwassen is hoort het gezag over haar kind te krijgen. Als het kind gevaar loopt, kan het onder toezicht worden gesteld en uit huis geplaatst. Maar de móéder krijgt het gezag. Ze kan elk jaar naar de rechter om haar kind op te eisen. Zo is het geregeld in Nederland. Alles is erop gericht om kinderen bij hun eigen ouders te laten zijn. Ook als die ouders hun kinderen hebben verwaarloosd en mishandeld.

Op 25 februari 2004 zeggen de kinderrechters in Leeuwarden dat het 6-jarige jongetje – de aanleiding voor dit verhaal – niet het risico mag lopen om door zijn moeder te worden opgeëist. Ze kiezen voor duidelijkheid, net als de rechters in Groningen: het gezag bij de voogdij-instelling, het jongetje bij de pleegouders. Het is een uitspraak die volgens de werkgroep kinderrechters van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak geen incident is, maar het begin van een trend. De voorzitter van die werkgroep, Frans van der Reijt, zegt dat bij kinderrechters ,,het gevoel groeit dat kinderen vaak beter af zijn als ze niet naar hun ouders terugkeren, maar bij hun pleegouders blijven''. En daardoor hebben kinderrechters ,,steeds meer de neiging'' om ouders het gezag over hun kinderen af te nemen – tegen het advies van de Raad voor de Kinderbescherming in.

Kinderrechters, zegt Van der Reijt, die zelf bij de rechtbank in Den Bosch werkt, zien steeds vaker kinderen die zich aan niemand hebben kunnen hechten, die geen normen en waarden en geen geweten hebben ontwikkeld, en die daardoor crimineel geworden zijn. Van der Reijt denkt dat veel ouders in ,,opvoedingsonmacht'' verkeren, dat hun leven ,,onvoldoende structuur heeft'' om te kunnen opvoeden. ,,De samenleving wordt steeds ingewikkelder'', zegt Van der Reijt. ,,Meer ouders dan vroeger redden het niet.''

Uitweg

Het 6-jarige jongetje uit dit verhaal is een kind met een reactieve hechtingsstoornis – een stoornis die is ontstaan door verwaarlozing in het begin van zijn leven. Hij werd geboren toen zijn moeder 15 was. Zijn vader was 17. Het meisje had de zwangerschap ,,een uitweg'' in haar ongelukkige leven gevonden. Ze was zelf verwaarloosd en mishandeld, ze had een grote achterstand in haar ontwikkeling. Het eerste half jaar na de geboorte woont het meisje – ze wil anoniem blijven – met haar kind in een kamer boven het café van haar moeder. Ze gaat niet naar school. De kinderrechter stelt haar onder toezicht, het gezag over haar en haar kind gaat naar de voogdij-instelling. Dan krijgt ze zo'n ruzie met haar moeder dat ze met haar kind naar haar vader gaat. Ze blijft er een week, daarna gaat ze naar de vader van het kind, die bij zíjn vader woont. Na een week is ze terug bij haar moeder. Na vijf dagen vlucht ze met haar kind naar een Blijf-van-mijn-lijf-Huis. Een jaar later, het kind is bijna twee, wordt ze eruit gezet omdat ze harddrugs gebruikt. En dat is het moment waarop de voogdij-instelling ingrijpt. De moeder mag het kind niet meenemen. Ze gaat op kamers wonen. Het gezag over haar en haar kind blijft bij de voogdij-instelling.

Het jongetje is ruim anderhalf als hij voor het eerst bij zijn pleegouders komt, ook in Groningen. Eerst komt hij er in de weekends, en vaak ook doordeweek, als zijn moeder hem niet meer aankan. Later, als zijn moeder uit het opvanghuis is weggestuurd, is hij er alle dagen. De pleegouders willen, na alles wat ze hebben meegemaakt, graag hun verhaal vertellen – al moet de pleegmoeder wegens haar werk anoniem blijven. Ze is arts. De pleegvader, Bert Lipper, is econoom. Ze hebben samen een dochter van anderhalf.

De moeder van het jongetje vond het goed dat haar kind bij de pleegouders ging wonen. ,,Ondanks alles'', zegt de pleegmoeder, ,,is de relatie tussen haar en ons ook altijd goed gebleven.'' Toch zou de moeder zéker het gezag over haar kind hebben gekregen als de pleegouders zich er niet tegen hadden verzet. En dan had de moeder het jongetje nu waarschijnlijk weer bij zich gehad. Ze heeft een huis, ze woont samen, ze is hoogzwanger. Haar leven lijkt op orde.

Voordat de pleegouders het jongetje bij zich krijgen, wordt hun gezegd dat het om een ,,goed gehecht kind'' gaat. Daar beginnen ze al snel aan te twijfelen. Het jongetje schopt en slaat, ze moeten hem soms met gestrekte armen oppakken om te voorkomen dat hij hen bijt. Als hij bij zijn moeder is geweest – elke woensdag – is hij bijna niet te hanteren. ,,Hij kwam kleverig van het snoep weer terug'', zegt Bert Lipper. ,,Zijn ogen stonden leeg.'' Het viel hem op dat zijn moeder niet in staat was om naar haar kind te kijken of om naar hem te luisteren. ,,Als hij huilde, ging zij ook huilen.'' Op advies van de psycholoog van de voogdij-instelling gaat het jongetje vanaf april 2000 nog maar eens in de drie weken naar zijn moeder. ,,Onze opdracht was om de moeder én het kind te steunen'', zegt Bert Lipper. ,,De voogd zei steeds: éérst de moeder, zíj moet de kans krijgen de relatie met haar kind te herstellen.'' Na een tijd begint het jongetje zichzelf te bijten. Hij is ontroostbaar als hij verdrietig is.

In november 2000 wordt het jongetje onderzocht door een kinderpsychiater. Hij is dan ruim 3. De psychiater stelt de hechtingsstoornis bij hem vast, en een depressie. Hij kan zijn gevoelens niet reguleren. De psychiater raadt aan alles in het werk te stellen om het jongetje zich te laten hechten aan zijn pleegouders. De voogdij-instelling bepaalt dat de moeder haar kind nog maar vier keer per jaar mag zien. Ze mag niet meer met hem de stad in, wat ze altijd graag deed. Ze mag geen kleren meer voor hem kopen. De pleegouders zeggen dat het jongetje ook na die korte bezoeken van zijn moeder – twee uur, bij hen thuis – steeds vijf, zes weken onhanteerbaar is.

Na anderhalf jaar wordt het kind, bijna 5, opnieuw onderzocht. De psychiater stelt vast dat hij maar weinig vooruit is gegaan. Hij gaat wel gewoon naar school, maar daar geeft hij ook problemen: slecht luisteren, chaotisch gedrag, andere kinderen pijn doen, geen berouw. Er komt hulpverlening: speltherapie, video-interactie. De psychiater probeert de moeder van het jongetje in de behandeling te betrekken. Die zou zo het verdriet om de scheiding van haar kind beter kunnen verwerken. Ze zou kunnen leren om de paar keer dat ze hem ziet beter met hem om te gaan – niet alsof hij een pop is. Maar de moeder wil het niet.

Verraad

Begin 2002 krijgt de moeder van het jongetje ruzie met de voogdij-instelling. Ze is boos dat ze haar kind nog maar zo weinig mag zien. Ze had gedacht dat hij juist weer bij haar terug zou komen. En ze is erachter gekomen dat ze op haar achttiende het gezag had moeten krijgen. Ze is nu bijna 20. Ze voelt zich ,,verraden'', zegt ze later tegen de onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming. ,,Ik heb gevochten om mijn kind thuis te krijgen.'' Ze wil nooit meer wat met de voogdij-instelling te maken hebben. Daarom accepteert ze geen hulpverlening. De verwijten die de voogdij-instelling haar daarover maakt, accepteert ze ook niet. Eerst moet geregeld worden dat ze zelf kan bepalen hoe en wanneer ze haar kind ziet. In mei 2002 laat ze haar advocaat het gezag over haar kind opeisen. Het kantongerecht dat de zaak behandelt vraagt de Raad voor de Kinderbescherming in Groningen om advies.

De pleegouders van het jongetje worden nog boos als ze terugdenken aan het onderzoek dat toen gedaan werd. Ze worden niet als belanghebbenden behandeld, al zorgen ze dan al vier jaar voor het jongetje alsof het hun eigen kind is. En al heeft de Tweede Kamer in 1995 gezegd dat pleegouders die een kind langer dan een jaar bij zich hebben wél als belanghebbenden moeten worden behandeld. Ze moeten kunnen meedenken over wat de Raad voor de Kinderbescherming wil gaan onderzoeken. Ze moeten commentaar kunnen geven op het rapport van de raad, voordat het naar de rechtbank gaat. Maar bij de pleegouders van dit jongetje gebeurt het niet.

De onderzoeker van de raad komt wel met hen praten. ,,Hij hield ons drie kwartier lang voor dat we die hechting niet zo belangrijk moesten vinden'', zegt Bert Lipper. ,,Japanse kinderen waren volgens westerse theorieën allemaal onthecht. Hij zei ook dat er bij dit kind toch niets meer aan te doen was, dus kon hij net zo goed terug naar zijn moeder. Hij begreep niet waarom we met dit kind doorgingen. Zelf zou hij het allang hebben opgegeven.'' Het jongetje vraagt alle aandacht van zijn pleegouders. Hij kan niet uit logeren, daar wordt hij door de hechtingsstoornis angstig en nog wantrouwiger van. Een oppas thuis verdraagt hij ook niet.

In het rapport dat de Raad voor de Kinderbescherming in juni 2002 naar de rechtbank in Groningen stuurt staat dat het gezag naar de moeder moet. Niet omdat het beter voor het jongetje is, maar omdat het zo in de wet staat. Letterlijk: ,,Het uitgangspunt bij het raadsonderzoek is dat het gezag bij de ouders hoort te liggen.'' De voogdij-instelling, schrijft de raad, heeft een vergissing gemaakt door de moeder niet op haar rechten te wijzen toen ze 18 werd. Die vergissing moet nu worden hersteld. Wat goed voor het jongetje is doet er voor de raad niet toe. Weer letterlijk: ,,Het perspectief en behandeling van (...) is in het kader van dit onderzoek niet zozeer het onderwerp van onderzoek geweest.'' Er moet in de toekomst wel op de belangen van het jongetje worden gelet, vindt de raad. Dreigen die geschaad te worden, dan kan de ,,lichtste kinderbeschermingsmaatregel'' genomen worden. Dat is: onder toezicht stellen. Maar de raad verwacht niet dat het zo ver zal komen. De moeder heeft tegen de onderzoeker gezegd dat ze niet van plan is om haar zoontje weg te halen bij de pleegouders. Ze wil alleen zeggenschap.

Trots

Al in 1999 publiceerde het ministerie van Justitie het rapport Pedagogische Criteria Jeugdbescherming van de commissie-Weterings – genoemd naar voorzitter Tonny Weterings, pedagoog en onderzoeker aan de universiteit van Leiden. De commissie was ingesteld omdat kinderrechters, kinderbeschermers en jeugdhulpverleners vonden dat in de praktijk van de rechtspraak vooral gekeken wordt naar de belangen van ouders, en te weinig naar de belangen van kinderen. In het rapport staat dat voor de persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen een ,,duurzame emotionele hechtingsrelatie'' met degene die hen opvoedt een ,,cruciale voorwaarde'' is. Zonder hechting leren kinderen de wereld om zich heen niet te ordenen, ze leren niet wat liefde is, ze weten niet hoe ze met andere kinderen moeten omgaan, ze voelen zich onveilig, ze worden wantrouwig en vijandig, ze groeien op tot mensen die alleen aan de bevrediging van hun eigen behoeften denken. Ze worden daardoor vaak crimineel.

Hulpverleners, schrijft de commissie, moeten ingrijpen als ze zien dat een kind niet de kans krijgt om zich te hechten, om onherstelbare schade te voorkomen. Eerst moet er hulp komen voor het kind en voor de ouders. Als het nodig is, moet het kind voor korte tijd uit huis worden geplaatst. Maar als dat langer gaat duren – een half jaar voor kinderen onder de 5, een jaar voor kinderen vanaf 5 – dan moet het kind zich kunnen hechten aan de pleegouders. En na twee jaar bij de pleegouders mag een kind, vindt de commissie, niet meer zomaar naar de ouders worden teruggebracht. ,,Dat is een inbreuk op de rechten van het kind.'' De ouders moeten ontheven kunnen worden van hun gezag, dan is er voor het kind en de pleegouders geen onzekerheid meer of ze bij elkaar zullen blijven.

Het rapport Pedagogische Criteria Jeugdbescherming werd door het ministerie van Justitie toegestuurd aan alle kinderrechters, alle raden voor de kinderbescherming en alle bureaus jeugdzorg in Nederland. Het ministerie was ,,trots'' op het rapport, in het voorwoord werd de hoop uitgesproken dat het ,,in brede kring'' ter harte zou worden genomen. En toen?

,,De kinderrechters hebben het heel serieus genomen'', zegt Tonny Weterings nu. ,,De gezinsvoogdij-instellingen en de raden voor de kinderbescherming ook wel. Maar in de praktijk handelen ze er niet naar. Ze blijven in wetteksten en protocollen denken: ouders hebben het recht om hun kind zelf op te voeden, dus doen we alles om het kind bij hen te laten zijn.'' Uit angst voor kritiek en klachten, volgens Tonny Weterings. Ze raakt steeds verontwaardigder als ze erover praat. De wet geeft ouders een voorwáárdelijk recht, zegt ze. Ze voeden hun kinderen op, tenzij de belangen van hun kinderen ernstig worden bedreigd. ,,Maar men is ervan overtuigd dat kinderen uiteindelijk toch altijd het beste bij hun ouders kunnen zijn. En men wil geen conflicten met de ouders. Men is in toenemende mate bang voor hun agressie.''

Denigrerend

Kinderen kunnen zich niet verweren, zegt Tonny Weterings. Die zijn afhankelijk van een voogd die voor hen wil opkomen. Of van het doorzettingsvermogen van de pleegouders. En dat doorzettingsvermogen moet enorm zijn. Eerst om bezwaar te maken tegen een beslissing van de Raad voor de Kinderbescherming. Dan om af te wachten of ze wel als belanghebbenden worden beschouwd. ,,Ouders krijgen een advocaat toegewezen'', zegt Tonny Weterings. ,,Pleegouders niet. Die moeten zelf een advocaat betalen.''

Bert Lipper, de pleegvader van het jongetje uit dit verhaal, dient in februari 2003 een klacht in bij de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming in Groningen. Hij schrijft dat de onderzoeker die met hen kwam praten ,,cynisch'' en ,,denigrerend'' deed en hun pleegkind als een ,,hopeloos geval'' zag. En waarom werd er geen onderzoek gedaan naar wat goed voor het kind was? Het advies aan de rechter, schrijft Bert Lipper, is daardoor onevenwichtig. ,,De belangen van (...) worden onvoldoende behartigd.''

De directeur van de Raad voor de Kinderbescherming in Groningen, Fred Hoogenboom, schrijft in april 2003 terug dat volgens hem ,,niet is aangetoond noch is gebleken'' dat de onderzoeker zich cynisch en denigrerend heeft opgesteld. Met de andere klachten is hij het voor een deel wél eens. Hij vindt het onterecht dat de pleegouders niet als belanghebbenden zijn aangemerkt. En hij begrijpt dat de pleegouders door het onderzoek de indruk hebben gekregen dat het jongetje misschien niet bij hen zal blijven. Dat is verkeerd, vindt hij.

Maar dan stelt de directeur vast dat ,,er verschillende visies mogelijk zijn over wat het belang van een kind is''. En die visies doen nu niet terzake, schrijft hij. Het gaat nu om het advies aan de rechtbank over het gezag, en dat advies is volgens de directeur ,,niet onbegrijpelijk''. Als de moeder straks haar kind meeneemt, of iets anders doet dat volgens de pleegouders niet goed voor hem is, dan kan dat bij de raad gemeld worden. Voor de pleegouders, schrijft de directeur, verandert er in wezen niets.

Bert Lipper: ,,Het kwam erop neer dat wij naar de politie zouden moeten als de moeder haar kind meenam. En dan zou de raad gaan onderzoeken of er een ondertoezichtstelling nodig was.''

Nu zegt Fred Hoogenboom: ,,In het algemeen vraag je je af of het inderdaad niet beter is om sneller voor duidelijkheid te kiezen.'' Door het rapport van Tonny Weterings ziet Fred Hoogenboom ,,het denken daarover kantelen'', ook bij de Raad voor de Kinderbescherming. Hij vindt dat een kind dat al langere tijd bij pleegouders is niet zomaar naar de ouders terug moet worden teruggebracht. ,,Daar zou de rechter over moeten beslissen.''

Maar waarom adviseerde de raad bij dit jongetje dat de moeder het gezag moest krijgen?

Fred Hoogenboom: ,,Ik adviseer niet, ik kijk alleen of de medewerkers van de raad hun werk goed doen. In dit geval heb ik vastgesteld dat de pleegouders ten onrechte niet als belanghebbenden zijn beschouwd. Ik stelde vast dat de medewerkers vasthielden aan een verouderde werkwijze. Dat heeft in de organisatie een enorme schok veroorzaakt.''

Hebben uw medewerkers een goed advies gegeven?

,,De raad heeft zich laten leiden door het feit dat de voogdij-instelling een fout had gemaakt. Die had het gezag aan de moeder moeten overdragen toen ze 18 werd. Met het advies heeft de raad die fout willen herstellen.''

Is dat niet erg formeel geredeneerd?

,,Ja. Maar de raad adviseert altijd in moeilijke omstandigheden. Er is altijd een partij die benadeeld wordt, en dat zijn vaak de ouders. Daarom is bij ons de gehechtheid aan procedures groot. De beste oplossingen kunnen mislukken door procedurefouten.''

Maar zou het de raad niet ook om de inhoud moeten gaan, om het lot van een kind dat...

,,Jajaja. Maar in dit geval heeft de moeder de raadsonderzoeker ervan kunnen overtuigen dat ze haar kind niet zal opeisen. Ik begrijp het advies van de raadsonderzoeker. Die dacht: er is altijd de mogelijkheid van een ondertoezichtstelling.''

Marianne Meester van de voogdij-instelling – voluit de Werkstichting Jeugdbescherming Groningen – zegt dat ze ,,geleerd'' heeft van de zaak van het jongetje. ,,De voogd heeft de moeder toen ze 18 werd wel gevraagd of ze het gezag wilde hebben. Ze zei nee, en toen hebben we het zo gelaten. De raad zei later tegen ons dat we hadden gedaan alsof de moeder uit het gezag ontheven was. En dat was zo. Dat hadden we niet moeten doen.''

Het was om het jongetje, zegt Marianne Meester. De voogd zag een ,,voorzichtige groei in de hechting'' tussen hem en zijn pleegouders. Die moest beschermd worden. ,,We weten allemaal wel wat er met niet-gehechte kinderen gebeurt.'' De voogdij-instelling heeft het beleid nu veranderd. Moeders van 18 wordt niet meer gevraagd of ze het gezag willen. Er wordt meteen om een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd.

Maar waarom stelde de voogdij-instelling zich achter het advies van de raad aan de rechtbank?

,,Ja, toe maar'', zegt Marianne Meester. Zo laat ze merken dat het niet van harte was. ,,We konden niet anders, wij hadden een procedurele fout gemaakt.'' Zij geloofde niet dat het jongetje voldoende beschermd zou zijn door wat de raad adviseerde: gezag naar de moeder, zo nodig een ondertoezichtstelling. Ze had geen vertrouwen in de beloften die de moeder aan de raad had gedaan: dat ze haar zoontje niet bij de pleegouders zou weghalen. ,,De moeder had een verborgen agenda'', zegt Marianne Meester. ,,Dat bleek bij de rechtszitting. De eerste vraag die de rechters haar stelden was wat ze wilde met haar kind. Toen zei ze dat ze hem zo snel mogelijk bij zich wilde hebben, om hem zelf te verzorgen en op te voeden.''