Natuur moet je doen

Betutteling? Natuurlijk niet! schreef Thomas van Slobbe, directeur van Stichting wAarde, in een opiniestuk in de Volkskrant van afgelopen woensdag. Hoe hadden we nou kunnen denken dat zijn `Smulbos' was bedoeld als een paternalistisch, om niet te zeggen discriminerend, initiatief voor allochtonen? In eerdere persberichten en interviews mocht hij dan hebben gezegd dat het ging om een plan om `allochtoonse mensen' meer `bij de natuur te betrekken', nu haastte hij zich te verklaren dat het Smulbos voor iedereen was: `jong en oud, allochtoon en autochtoon, man en vrouw'.

Te laat. Nog afgezien van die blunder met `allochtoonse mensen' (ja, allochtoonse dieren in de natuur hadden we al: het Prezwalski-paard, de Schotse Hooglanders) is ondertussen al half Nederland, allochtoon of niet, beledigd dan wel schaterlachend over hem heen gevallen. En Van Slobbe probeert het nog eens uit te leggen. `Natuurdoeltypen', en het verschil tussen `kijknatuur' en `gebruiksnatuur'. Onze `wel heel erg afstandelijke manier van natuurbeleving'. Hoe snel `het draagvlak' voor natuurbeleid `afkalft'. Het plan, schoon in al zijn eenvoud, om het `palet van mogelijkheden tot natuurbeleving' te `verrijken met een nieuwe kleur', te weten: het `bos om van te smullen'.

Uit dit subsidietaalgebruik zouden we kunnen concluderen dat Van Slobbe een afgezant van de duivel is, en de hele kwestie als irrelevant terzijde schuiven. Maar er spreken twee fascinerende misverstanden uit de Smulbosaffaire, die ook elders in de Nederlandse samenleving opduiken. Het eerste misverstand gaat over betutteling die niet als betutteling wordt gezien. Het tweede misverstand gaat over de Nederlandse natuur.

Allereerst betutteling. Allochtonen vinden de Nederlandse natuur saai (waar zijn de onderzoeken hierover? cijfers?). Allochtonen willen namelijk graag fruit en noten kunnen plukken (onderzoeken? cijfers?), en dat mag hier niet. Daarom komen allochtonen te weinig in de natuur, en dat is niet goed voor ze, vindt Stichting wAarde. De Nederlandse natuur moet dus laagdrempeliger, minder saai, gemaakt worden, ten behoeve van de integratie.

De berichtgeving daarover moet blijkbaar ook laagdrempeliger gemaakt worden: `Speciaal voor allochtonen. Waar ze een picknick kunnen organiseren en rijpe noten en vruchten kunnen opeten. Ideetje van het Geldersch Landschap en de Beekste stichting wAarde', stond in een nieuwsbericht over het Smulbos in de Volkskrant. Helemaal in deze stijl. Zinnen zonder vervoegde werkwoorden. En liever geen komma's. Te lang en ingewikkeld. Deed een beetje denken aan dat interview met Necati Genç. De eerste Turkse Nederlander. In dezelfde krant. `Zijn Nederlands is vlekkeloos', luidde de eerste zin. Maar dan. `Hij is de allereerste Turkse migrant in Nederland. Heeft de 72-jarige niet zelf verzonnen. Het blijkt uit onderzoek. Begin jaren tachtig verricht.' Zo gaat het maar door. `Hij wil de Nederlandse cultuur begrijpen. Daarom doet het zo'n pijn dat Nederland hem niet wil leren kennen. Als minderwaardig ziet.' Ja, vind je het gek. Als je woorden zo worden weergegeven.

Zulke manke zinnetjes komen wel vaker voor, maar nog nooit heb ik een interview met een autochtoon geheel in deze stijl gelezen. Nog een voorbeeld. Gerrit Steunebrink pleitte er op de opiniepagina van NRC Handelsblad voor om de toon van het integratiedebat te dempen, omdat Nederlandse moslims niet in staat zouden zijn deel te nemen aan het debat. `Het klinkt paternalistisch, maar is er een intellectuele bovenlaag die dit zou kunnen?' Pas wanneer `de moslimintellectuelen zelf zover zijn', kunnen we gaan debatteren, aldus Steunebrink. Het debat is nu eenmaal wat te hoogdrempelig voor de allochtonen.

Hoe beledigend is dit wel niet? En waarom zou je niet alle inwoners van Nederland gewoon als volwaardige burgers aanspreken, zonder door je hurken menen te moeten zakken voor bepaalde groepen? Vinden autochtone Nederlanders het wellicht prettig om allochtonen als hulpbehoevend, dus niet gelijkwaardig, te blijven behandelen? Maar we dwalen af: terug naar de natuur!

Van Slobbe spreekt in zijn artikel van een `rijke Nederlandse traditie van betrokkenheid bij de natuur'. Goh. Zou hij soms de inpolderingen, de ruilverkavelingen, het afgraven van de mergelgrotten in Zuid-Limburg bedoelen? Want de Nederlandse `betrokkenheid bij de natuur' kan van oudsher volledig in calvinistische, bijbelse termen worden omschreven: `En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!' De natuur als gebruiksartikel, dát is de Nederlandse traditie.

De malle Nederlandse cirkeldefinitie van `natuur' luidt dan ook: `terrein in natuurlijke staat'. Zo kun je álles, of níets, tot de natuur rekenen. Er is tenslotte geen vierkante centimeter grond in Nederland die niet onder een of ander bestemmingsplan valt, die niet is bebouwd, beplant of anderszins gecultiveerd of omgevormd. Er bestaat in Nederland helemaal geen `terrein in natuurlijke staat', tenzij je menselijk ingrijpen daar ook onder wil rekenen.

Zo kan het gebeuren dat plekken, aangeduid met termen als Ecologische Hoofd Structuur, Boomkroonpad, Picknickweide, of Natuurfietspad, bewegwijzerd, voorzien van bankjes en prullebakken, en uiteraard goed bereikbaar met de auto, hier beschouwd worden als natuur, waarbij natuurlijk ook de `natuurkwaliteit' wordt gemeten en bijgehouden door het RIVM (die `natuurkwaliteit' ligt overigens ook binnen natuurgebieden onder de 50 procent – wat dat dan ook mag betekenen, maar onheilspellend klinkt het wel).

Misschien moeten we eens beginnnen om allochtonen iets serieuzer te nemen. Want het punt is: ze hebben gewoon gelijk. Voor smullen of natuur moet je nu eenmaal niet in Nederland zijn, laten we eerlijk wezen. De Nederlandse natuur ís gewoon saai, met z'n gebaande paden, picknicktafels, laag overvliegende Boeings, dat lachwekkende `Groene Hart', en altijd weer het gezoem van autoverkeer op de achtergrond. De `natuurlijke' ontwikkeling van het Nederlandse landschap neigt naar snelwegen en kantoorgebouwen. Waarom helpen we de Nederlandse natuur dus niet gewoon uit haar lijden? Asfalt erover. Beton. En dan gaan we gezellig op wandelvakantie in `allochtoonse' landen, waar, zoals we dankzij Van Slobbe nu weten, óveral in de natuur iets te eten is.